In Need for Speed: The Run kruip je in de huid van Jack Rourke. Op de vlucht voor een criminele organisatie en in diepe schulden ziet hij het meedoen aan en winnen van de illegale straatrace ‘The Run’ als zijn enige oplossing. Natuurlijk gebeurt dat niet zomaar, waardoor je als speler voor de nodige uitdagingen komt te staan. Tot overmaat van ramp (of plezier voor de speler) probeert de politie er alles aan te doen om de race te voorkomen.

Knopjes rammen

Het eerste dat opvalt na al een paar minuten van de singleplayer, is de explosieve actie en de filmische sfeer die neergezet wordt. Er is geen tijd om rustig in het spel te rollen want direct nadat je de controle over het hoofdpersonage krijgt, moet je door middel van een quick-time event uit een auto zien te ontsnappen die op het punt staat om geplet te worden.

Reden voor ongerustheid over het aantal quick-time events in het spel is echter niet nodig. Op basis van een gesprek met de producer van het spel kunnen we melden dat ze niet heel vaak voor komen. Alle interactieve gedeeltes zijn volgens de beste man alleen maar bedoeld om de speler onderdeel uit te laten uitmaken van het verhaal. Die mening delen wij echter niet helemaal, want wij vinden dat de snelheid waarmee je soms op knoppen moet drukken ervoor zorgt dat je meer let op welke knop in beeld verschijnt. Gelukkig zijn we in de loop van 3,5 etappe (ongeveer vijftien races) maar één quick-time event tegengekomen naast die uit de introductie.

Het gevoel van vroeger

De races zijn waar deze game wel in schittert. Na een ochtend met de singleplayer te hebben doorgebracht, kan ons het gevoel niet ontgaan dat het spel misschien wel eens de terugkeer betekent van het oude Need for Speed-gevoel. En dan hebben we het niet over Underground of Most Wanted, maar over Need for Speed II en de oorspronkelijke Hot Pursuit. Het gevoel is moeilijk over te brengen in woorden, maar de combinatie van goed trackdesign, spannende races, een strakke besturing, agressieve politieauto’s en mooie bolides deed ons weer terugdenken aan vroeger.

Het is wel het gevoel van vroeger gecombineerd met de verwachtingen van nu. Simpel je rondjes rijden en als eerste over de finish komen, zoals in de eerste Need for Speed-games, daar kun je tegenwoordig in arcade racegames haast niet meer mee aan komen zetten. Iedere race is spectaculair op zijn eigen manier en zorgt ervoor dat je een stukje verder komt in de drieduizend kilometer lange wedstrijd die ‘The Run’ is. Buiten gewone races waarbij je een vastgesteld aantal tegenstanders in moet halen, hebben we een aantal maal van checkpoint naar checkpoint moeten rijden binnen een bepaalde tijd. De ene keer is het alleen een race tegen de klok, maar soms verandert dit in een Battle Race. Hierbij heb je niet alleen met een aftellende klok te maken, maar moet je ook nog eens binnen die tijd een snelle tegenstander inhalen. Dit is vaak gemakkelijker gezegd dan gedaan, want deze coureurs zijn wat pittiger om te verslaan. Het komt vaak aan op de seconde.

IJskoud de beste

Wanneer je een race niet als eerste voltooit (of binnen de tijd), dan maakt het spel gebruik van resets. In tegenstelling tot de terugspoelknop in Forza 4 en DiRT 3 zet een reset je terug naar het vorige checkpoint in de race. Iedere race maakt gebruik van meerdere checkpoints, dus je wordt nooit echt heel ver teruggezet, maar misschien was terugspoelen toch een betere optie geweest. Een reset wordt namelijk soms ook geactiveerd als je een klein stukje naast de baan bent beland, of wanneer je jezelf al hebt weten te redden voordat je een afgrond in valt. De grens tussen nodige en zinloze resets is hierdoor een beetje wazig. Het aantal resets dat je krijgt is afhankelijk van de moeilijkheidsgraad die je hebt gekozen.

Je racet in The Run niet alleen tegen andere coureurs, soms heb je ook te maken met Moeder Natuur. De demo van het spel liet ons al kennismaken met vallende rotsblokken en lawines. Na onze speelsessie kunnen we daar een zandstorm bij optellen, die het zicht behoorlijk vertroebelt. Dit allemaal dankzij de Frostbite 2 engine van DICE. Deze engine zorg er verder voor dat de omgevingen er af en toe adembenemend mooi uitzien. De laadtijden voor iedere race zijn overigens wel onacceptabel lang. Nadat we de producer hiermee confronteerde, verzekerde hij ons dat het in de uiteindelijke versie minder lang gaat duren, maar daar hebben we nog wel onze bedenkingen bij. In de huidige vorm is het echt een storende factor, die je soms volledig uit de flow van de competitie en spanning haalt.

Tanken zonder betalen

De besturing van de auto’s kunnen we het beste omschrijven als een mix tussen simulatie en arcade, met meer nadruk op dat laatste. In tegenstelling tot Hot Pursuit van vorig jaar zul je wel vaker de (hand)rem moeten gebruiken, maar de ontwikkelaar heeft het ook ook weer niet te realistisch gemaakt. De twee wagens waarin we hebben plaatsgenomen, de BMW M3 GTS en Lamborghini Gallardo LP550-2 Valentino Balboni, reageerden op hun eigen manier op het wegdek, waardoor je wel degelijk het verschil merkt tussen de verschillende auto’s. Van de twee voertuigen geniet de BMW onze voorkeur vanwege de betere tractie, maar net als bij ieder ander racespel is het een kwestie van smaak en gewenning.

Het is niet zo dat je het hele spel in dezelfde auto kunt blijven zitten. Over de lengte van een of twee etappes nog wel, maar voor sommige etappes heb je een voertuig uit een hogere klasse nodig. Het is ook mogelijk om tijdens sommige races van wagen te veranderen. Op een aantal plekken zitten tankstations. Wanneer je deze binnenrijdt, kun je een keuze maken uit de door jou vrijgespeelde bolides om in verder te racen. Omdat deze tankstations naar onze mening onduidelijk zijn aangegeven, raas je ze echter al voorbij nog voordat je ze opmerkt. Dat zou niet echt een punt zijn, ware het niet dat je op geen andere manier van auto kunt wisselen, bijvoorbeeld voordat een race van start gaat. Hierdoor zijn de tankstations in de praktijk niet bepaald handig. Gelukkig reden we in onze BMW alsnog keer op keer redelijk eenvoudig naar de overwinning.

Uitdagend

Naast de singleplayer hebben we nog heel even in de multiplayer kunnen duiken. In die tijd hebben we twee playlists mogen spelen, die elk uit vier races bestonden. Na iedere race krijg je op basis van je positie punten toebedeeld. Degene die na vier races de meeste punten heeft, wint uiteraard. Voordat je aan de wedstrijden begint, moet je eerst nog uit een flinke rij voertuigen een keuze maken. Deze keuze kun je af laten hangen van persoonlijke voorkeur of op basis van de moeilijkheidsgraad van de besturing. Dat staat bij iedere wagen aangegeven. De snelheid van de auto’s ligt allemaal redelijk dicht bij elkaar. Zodoende konden wij met onze opgevoerde, oude Golf GTI (het enige vreemde voertuig tussen de racemonsters) goed meekomen met de Pagani’s en Lamborghini’s van de rest en zelfs nog een race winnen. Online heeft het meer te maken met vaardigheden en een beetje geluk, dan wie de snelste auto heeft.

Tot slot hebben we een tweetal races uit de Challenge Series gereden. Hierbij is het de bedoeling dat je in een vooraf vastgestelde wagen een bepaalde opdracht vervult. Denk hierbij aan checkpoint-races, het verslaan van andere coureurs, maar ook het ontwijken van politieblokkades. De meest extreme uitdaging die wij voorgeschoteld kregen, was Porsche Attack. Hierin moet je veertien checkpoints zien te voltooien binnen de tijd. Omdat je maar een gering aantal resets hebt en je binnen een erg strak tijdsschema bij ieder checkpoint moet zijn, leek dit een haast onmogelijke opdracht. De producer verzekerde echter dat hij deze uitdaging in 5:59:00 (de platina medaille krijg je bij 6:20:00) heeft voltooid, wat maakt dat de echte perfectionist een flinke kluif op zich heeft wachten straks. Het advies dat hij ons meegaf? “Stay on the road”. Wijze woorden, maar ook onze volgende pogingen zagen we allemaal stranden. We zien het maar als voer voor de echte volhouders, wanneer de game eenmaal uit is.