Ze hadden zich stuk voor stuk uitstekend voorbereid (ook wanneer ze bescheiden zeiden dat ze van tevoren “alleen maar een beetje hadden gegoogled”) en vroegen de aanwezige deskundigen bij elke gelegenheid gretig en kritisch het hemd van het lijf. Ook ikzelf had trouwens enkele honderden pagina’s aan achtergrondmateriaal doorgewerkt en kriebelde de ene na de andere bladzijde in mijn notitieblok vol met aantekeningen.

En toen dacht ik terug aan de paar trips die ik jaren eerder had gemaakt, als gamejournalist, en moest ik concluderen: dat ging destijds toch anders. Ik herinner me zaaltjes vol klapstoeltjes gevuld met mensen die meer bezig waren met het verwerken van hun kater dan met de game die op dat moment werd gepresenteerd. Sommigen namen zelfs niet eens de moeite iets op te schrijven; die gingen er blijkbaar van uit dat ze zich alles wel zouden herinneren, of het anders thuis wel op internet terug konden vinden. En vaak leek het shoppen in de stad waar we waren beland en het op kosten van de uitgever dineren heel wat belangrijker dan de game waar het tripje eigenlijk om draaide.

Waar zou dat verschil vandaan komen? Een eerste oorzaak zou hem kunnen zitten in de achtergrond van de twee groepen journalisten. Een wetenschapsjournalist zal meestal ofwel uit de wetenschap afkomstig zijn, ofwel een journalistieke opleiding hebben gedaan. In beide gevallen heeft hij als het goed is (zij het op verschillende manieren) geleerd kritisch en onderzoekend te zijn. De doorsnee gamejournalist zal wat vaker op jonge leeftijd ‘het vak in zijn gerold’ en daardoor misschien een wat minder duidelijk beeld hebben van zijn rol als verslaggever.

Een ander puntje kan de financiering van zo’n tripje zijn. Om JET als voorbeeld te nemen: daar betaalde het kernfusielab de hotelkamers, maar niet meer dan dat. De reiskosten, bij elkaar toch een euro of driehonderd de man, waren voor de journalisten. En tja, áls je dan gaat, ben je ook een man (m/v) met een missie. Je hebt geld geïnvesteerd en wilt daar zoveel mogelijk informatie voor terug krijgen. Informatie die je thuis kunt omzetten in artikelen die genoeg opleveren om de kosten te rechtvaardigen. Trips rond een game zijn echter vaak ‘all inclusive’; het hotel, het vliegticket, de taxi, het eten... De uitgever die je heeft uitgenodigd, betaalt het allemaal of op zijn minst grotendeels. (Ik heb zelfs een keer geld toegestopt gekregen om in een casino te vergokken.) En tja, dan ga je toch met een andere intentie op stap. Je laat het allemaal wat meer over je heen komen dan dat je het onderste uit de kan probeert te halen.

Tot zover de journalist. Want ik denk dat de belangrijkste oorzaak de houding van de game-industrie richting pers is. Waar ik bij het gemiddelde wetenschappelijke instituut het idee heb dat ik op elk moment kan aankloppen voor een interview of bezoekje en dan alles mag zien en vragen, liep ik bij een uitgever van spellen geregeld tegen een muur aan als ik kwam met een vergelijkbaar verzoek. Game-uitgevers helpen jou niet met jouw verhaal, game-uitgevers willen dat jij hen helpt met hún verhaal. Zij bepalen welk nieuwtje wanneer de wereld in gaat en trekken dan enkele duizenden ponden, dollars of euro’s uit de kast om journalisten precies die boodschap over te laten brengen. En dus krijg je strak geregisseerde presentaties en sprekers waar zonder duimschroeven weinig aan te ontfutselen lijkt. Zo sprak ik ooit Richard ‘Lord British’ Garriott. Geweldig natuurlijk, maar ik had wel het idee dat elke vraag die ik stelde kundig werd omgeleid naar een antwoord dat de man al tig keer eerder had gegeven. Hier viel qua kritische journalistiek weinig eer aan te behalen.

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat álle game-uitgevers en -ontwikkelaars zo in elkaar zitten, of dat wetenschappers altijd benaderbaar zijn. Toch is bij mij netto het gevoel blijven hangen dat er tussen gamejournalisten en game-uitgevers een subcultuurtje is ontstaan dat wel wat opschudding kan gebruiken. Dus, als je journalist bent: mail en bel uitgevers vooral geregeld als ze zelf even niets te melden hebben en bezorg ze op zijn minst een schuldig gevoel als ze niets voor je willen regelen. En als je de volgende keer op trip mag: probeer je eens te gedragen alsof je je ticket zelf moet terugverdienen. En dan niet door te kijken hoe groot de steak is die je op kosten van je gulle gastheer kunt bestellen voor hij begint te piepen, maar door je flink voor te bereiden, lastige vragen te stellen, je ogen goed de kost te geven en alles op te nemen of op te schrijven... Goed, de kans is groot dat je er niet écht in slaagt de geoliede PR-machine van de wijs te brengen. Maar ook in dat geval kom je waarschijnlijk toch met een beter verhaal thuis. En hé, dat is waar je voor ging. Toch?


Jean-Paul Keulen was eindredacteur van Xbox Magazine (2003-2005) en schreef voor het multiplatformtijdschrift GMR en het Nintendo-tijdschrift [N]Gamer. Momenteel is hij coördinerend redacteur bij het populairwetenschappelijke tijdschrift KIJK. Volg hem op Twitter.