In Play to Cure: Genes in Space helpen spelers bij het opsporen van onregelmatigheden in DNA-structuren die kunnen leiden tot kanker. Spelers moeten daarvoor een route uitstippelen door zogeheten DNA-microarray. Het gaat daarbij over de data van echte kankerpatiënten. Klinkt als een enorme verantwoordelijkheid en enorm ingewikkeld wetenschapsgedoe. Maar vrees niet, Genes in Space is allesbehalve gecompliceerd.

Genes in Space is namelijk gewoon een spaceshooter. Een doodsimpele spaceshooter zelfs, als je de wetenschappelijke context even negeert. Je tekent een route uit over een map vol witte puntjes en vliegt vervolgens door een aantal ringen in een Starwing-achtige game. Ondertussen probeer je zoveel mogelijk ‘Element Alpha’ op te zuigen om je ruimteschip te upgraden. Een zo’n speelsessie hoeft niet langer te duren dan twee minuten. Zonder de kennis dat je kanker aan het genezen bent, ben je daar na twee à drie pogingen waarschijnlijk al wel klaar mee.

Het zou echter niet eerlijk zijn Genes in Space enkel te bekritiseren om zijn simpele gameplay en daarmee voorbij te gaan aan de grootschalige wetenschappelijke bijdrage. Het uitstippelen van een route en het opzuigen van witte puntjes representeert namelijk de zoektocht naar DNA-afwijkingen. Je reist als het ware door de chromosomen van mensen en geeft precies aan waar onregelmatige patronen zitten. De input van duizenden spelers zou wetenschappers een veel beter beeld geven waar kanker precies ontstaat.

De kracht van de massa

Genes in Space outsourcet data-analyse de gamewereld in. Logisch; miljoenen gamers steken miljoenen uren in het spelen van games. Tijd die perfect gebruikt kan worden voor het analyseren van data, ook als de spelers geen PhD op zak hebben. Elke kankerpatiënt genereert meer dan twee miljoen datapunten en Genes in Space bevat data van meer dan 2000 kankerpatiënten. Dat is niet alleen voor een klein groepje wetenschappers, maar ook voor computers maar lastig te analyseren. Computers nemen namelijk bijvoorbeeld pieken en dalen waar, maar zien geen patronen of genuanceerde herhalingen. Achter deze data schuilen zeeën van potentiele ontdekkingen.

Dat dit concept zijn vruchten afwerpt is al meerdere malen bewezen. Hetzelfde Cancer Research UK creëerde in 2012 bijvoorbeeld Cell Slider. Ongeveer 200.000 spelers droegen via deze game bij aan het onderzoeken van borstkanker en classificeerden bijna twee miljoen foto’s van kanker. Dat ging zo’n zes keer sneller dan een heel team van wetenschappers aankon. Maar ook Eyewire is een mooi voorbeeld. In die grootschalige online game leggen spelers de verbindingen tussen neuronen in de retina bloot. Een bijzondere game is ook Foldit, die spelers laat meehelpen aan het begrijpen van bepaalde eiwitstructuren.

Ga weg kanker

De strijd tegen kanker is geen spelletje, laten we dat vooral niet vergeten. Er is geen ruimte voor loze experimenten of suggestieve droomverhalen; resultaten en doorbraken zijn noodzakelijk, liever gisteren dan vandaag. Play to Cure: Genes in Space is een poging een doorbraak te forceren. Het vraagt de hulp van miljoenen gamers die met een paar minuten van hun tijd het leven van miljoenen kunnen verblijden. In dat perspectief was een spaceshooter misschien wel helemaal niet nodig geweest. Kijk maar naar populaire games als Foldit of Eyewire. Die laten spelers juist wroeten in expliciet gevisualiseerde data.

Spelers zijn zich in die specifieke games ook meer bewust van het feit dat hetgeen ze doen een wetenschappelijke bijdrage levert. Genes in Space blijft wellicht te veel in zijn eigen metafoor hangen, wat een afstand creëert en je je nooit echt een ‘held’ voelt. Geen ruimteheld en ook geen held in de strijd tegen kanker. Dat is jammer, maar het belangrijkste in dergelijke games blijft voor ons toch de validiteit. Als de data een wetenschappelijk onderbouwde bijdrage kan hebben, dan zijn wij al bereid een steentje bij te dragen. Onze biologische kennis gaat niet zo ver dat we Genes in Space kunnen beoordelen op zijn toekomstige waarde, maar we geloven wel in het concept. Duizenden gamers zien meer dan één computer of tien wetenschappers, dat is duidelijk. ‘Let’s beat cancer sooner’, dat kan met zijn allen. Al is het maar een klein beetje.