Dit artikel is het laatste deel van een drieluik. De eerst twee delen kun je hier en hier lezen. Begin volgende week volgt de recensie.

Laat ik, zoals het de wijze schoolmeester betaamt, maar eens beginnen bij het begin. "Xenoblade is zo ongelooflijk makkelijk", zeg je. Ik zeg, dat speel ik anders. Natuurlijk, wie door de gebieden heen rent en alleen het noodzakelijke doet, zal zelden doodgaan. Misschien dat een baasgevecht her en der pittig is, maar daar is dan ook alles mee gezegd. Maar ik (en voor de beleving hoop ik velen met mij) doe dat toch anders. Ik struin de velden af zoals een echte avonturier en versla alle monsters die ik zie lopen van ongeveer hetzelfde level. En dan zie ik in de verte plots een groot monster opdoemen. Vijf, tien, misschien wel vijftig levels hoger dan ik.

Die laatste categorie laat ik natuurlijk bangig met rust, maar met die van vijf of tien levels hoger ga ik de strijd aan. Makkelijk? Dan heb je dat nog niet gedaan. Dit soort gevechten bieden mij een extra dimensie, een moment waarop ik op elke slag moet letten, elke tactiek moet toepassen en vooraf mijn team minutieus manage. Dit zijn voor mij serieus misschien wel de beste momenten uit de game en het verklaart ook meteen je andere ‘probleempjes’ met de game, zoals de afwezige straf voor doodgaan. Ik creëer in-game mijn eigen hard-modus en kies er voor om urenlang rond te struinen. Godzijdank dat ik dan niet elke keer naar een Inn terug hoef te keren of mammoetladingen aan genezende items mee moet zeulen.

Mario en Zelda

Ik moet zeggen dat ik het ook wel grappig vind dat je Zelda en Mario überhaupt een verhaal toedicht. Ik moet ze nog ontdekken in die games. Maar ik ben het inderdaad met je eens, er zit amper langdradigheid in Xenoblade Chronicles. Dat brengt me bij een heel belangrijk punt, namelijk de absolute reden dat deze game mijn hart gestolen heeft. Er is amper een game tegenwoordig die zich niet als achtbaanrit laat omschrijven. Lees het gros van de recensies er maar op na. Maar waar zijn de spellen die te omschrijven zijn als ‘een bijzondere ontdekkingsreis’. Achtbaanrit wordt bijna een vies woord, als je ziet met welke rustiek Xenoblade Chronicles te werk gaat. Dat heb ik gemist. Er is nooit een gevoel van noodzaak, maar er is altijd iets te doen. Ik reis door deze wereld, niet opgejaagd, wel voorzien van doelstellingen. Ik reis en dat is het mooiste wat er is, bijna een concept uit verloren game-tijden.

Wat betreft de grafische kwaliteit, ik denk dat je me verkeerd begrepen hebt. Ik denk juist dat dit rollenspel niet zo fantastisch geweest was als het in HD zou zijn gemaakt. Want ik gebruik nu iets dat ik al lang niet meer gebruikt hebt: mijn fantasie.

X-factor

Je sluit jouw relaas perfect af in het vorige stuk: “Wat denk jij, Simon? Heeft Xenoblade de X-Factor?” Ik zeg het steenkoud: nee, dat heeft het niet. Het is niet beter dan de typische Japanse RPG’s uit de hoogtijdagen van het genre. Maar het mag daar zeker naast staan. Het belangrijkste is dat deze game nu durft uit te komen. Ik kan nu over jaren van droogte spreken en dat in het land der blinden de eenoog koning is. Maar daarmee doe ik Xenoblade Chronicles tekort. Een game die me zo aan de buis gekluisterd heeft, die zijn schoonheidsfoutjes zo vakkundig verbloemt, verdient waarschijnlijk beter. Een game die me überhaupt weet terug te voeren naar hoogtijdagen die normaal enkel nog voortleven in nostalgie, verdient dat zeker.