Destruction Derby kwam in 1995 uit voor de originele PlayStation. Het was een van de eerste games die tot wel twintig auto’s op het scherm ondersteunde, een ongekend aantal voor die tijd. Ontwikkelaar Reflections Interactive Limited maakte ook nog eens opzettelijk kleine racebanen om de kans op crashes te vergroten. Die kleine rondes voelen anno nu wat eentonig aan, maar zijn nog altijd spannend vanwege de grote kans op botsingen.

Uitdaging

Destruction Derby heeft drie moeilijkheidsgraden, maar zelfs de makkelijkste optie ‘Rookie’ biedt een uitdaging doordat de andere auto’s op de banen ietwat onvoorspelbaar zijn. Een enkeling sjeest je met volle vaart voorbij en is dan lastig in te halen. Gelukkig botsen ook zij, waardoor een eventuele inhaalslag alsnog mogelijk is.

Voorop rijden in een race staat echter niet garant voor een overwinning, aangezien je rondjes rijdt en een gecrashte achterligger dus alsnog de baan kan blokkeren. Het is de bedoeling je eigen auto zo heel mogelijk te houden, omdat deze na een paar klappen trager rijdt en moeilijker bestuurbaar is. Een total loss resulteert bovendien zoals gezegd in game over. Vlak voor de finish is het dus mogelijk om, ondanks de eerste plaats, op zo’n achterligger te knallen. De bumper had net dat laatste tikje nodig en begeeft het. Einde oefening.

Brokstukken en rookpluimen

In de Wrecking Racing-speelmodus is het de bedoeling om én als eerste te eindigen én punten te behalen door andere auto’s de vernieling in te helpen. Met een flinke ram spinnen zij minstens 360 graden en blokkeren de weg voor de achterliggende auto’s, waardoor je niet alleen punten scoort maar ook je tegenstanders op een flinke achterstand zet. In de Stock Car Racing-speelmodus krijg je geen punten voor het rammen van auto’s en hier is netjes rijden aangeraden. Ditzelfde geldt voor de Time Trial-modus, maar hier zijn geen andere weggebruikers.

Veruit de leukste modus is die waar de game zijn naam aan ontleent: Destruction Derby. De auto start in de arena The Bowl en staat tegenover een stuk of vijftien andere auto’s. Deze rijden met volle snelheid op elkaar in, waardoor het scherm zich vult met brokstukken en rookpluimen. Ondertussen vertelt een epische commentator wat er gaande is. Wanneer er een mooie botsing plaatsvindt, lijkt hij hier extra van te genieten en schreeuwt “oooh!” Volgens hem moet ook opgepast worden voor de randen, want “they will only slow you down!” zegt hij zangerig.

Eentonig maar vermakelijk

Destruction Derby heeft echter standaard maar vijf verschillende racebanen (plus één geheime) door onder andere een stad, langs het strand en door een woestijnachtig gebied. Zelfs met vier verschillende racemodi heeft de game maar vrij weinig variatie. Races zijn bovendien lang met meestal zo’n tien laps en worden daardoor al snel een routine-oefening.

Ondanks dat Destruction Derby vrij snel eentonig wordt, is het een vermakelijke game. Met een PlayStation-controller stuurt de game het makkelijkst, maar ook met toetsenbord en muis is de pc-port prima te doen. De muziek, die elke anderhalve minuut een loop maakt, is nog van best hoge kwaliteit en het opjagende ritme ervan past bij een racegame als deze. De graphics zijn voor hedendaagse begrippen niet zeer tergend en in 1995 noemden we dit echt een vooruitstrevende game, ook dankzij de implementatie van gesimuleerde natuurkundige wetten (simulated physics) die de botsingen nauwkeuriger maken. Al met al is Destruction Derby een aanrader om weer even uit de kast te vissen of uit de PlayStation Store te plukken. Vergeet dan ook zeker niet om de multiplayermodus even op te starten.