Het is eigenlijk verbazingwekkend dat het zo lang geduurd heeft voordat er een game verscheen gebaseerd op de filmreeks The Fast and the Furious. De film geniet namelijk grote populariteit bij met name een jong, mannelijk publiek, dezelfde doelgroep als waartoe veel gamers behoren. Daarnaast gaat de film over snelle auto’s en daar schijn je vrij gemakkelijk een spelletje rond te kunnen bedenken. Toch liep het allemaal niet zo van een leien dakje. Aavankelijk had Vivendi Games de rechten op de filmgame in handen, maar hun projectje, dat werd ontwikkeld door Genki, belandde na veelvuldig uitstel in de prullenbak. Het duurde toen nog even voordat Namco de rechten in huis haalde en Eutechnyx inhuurde om The Fast and the Furious: Tokyo Drift af te leveren. Het resultaat is eindelijk in ons midden.  En afgaande op het resultaat zou je haast denken dat de ontwikkelaar van de eerste Fast and the Furious-game, Genki, dit spel heeft afgeleverd. The Fast and the Furious: Tokyo Drift past namelijk perfect in diens Tokyo Xtreme Racer-serie, waarvan het laatste deel hier als Import Tuner Challenge verscheen. The Fast and the Furious speelt zich namelijk, net als Tokyo Xtreme Racer, voornamelijk af op Japanse snelwegen waarbij je met de grootste moeite van de wereld nog niet over de vangrail heen kunt komen. Tegenstanders van verschillende crews vind je op parkeerplaatsen her en der langs de snelweg, en je zult ze allemaal uit moet dagen om tegen de boss te mogen racen. Spelers van een van de Tokyo Xtreme Racer-spellen klinkt dit waarschijnlijk bekend in de oren. Waar Tokyo Xtreme Racer zich echter alleen op de snelweg of alleen in de bergen afspeelde (in de DRIFT-spinoff reeks), combineert The Fast and the Furious beide disciplines. Het spel kent in totaal een viertal racetypes, namelijk Destination Battle, Drift Battle, Grip Battle en Maximum Speed. Bij Destination Battle is het de bedoeling eerder dan je tegenstander een bepaald punt op de snelweg te bereiken. Drift Battle speelt zich af op slingerende bergweggetjes, waarbij je punten scoort door zoveel mogelijk te driften. Wanneer je tegenstander is gefinisht, nemen je punten echter gestaag af, dus op één plek rondjes driften is er niet bij! De Grip Battle is vergelijkbaar met de Destination Battle, maar situeert zich op bergparcours. Bij Maximum Speed gaat het erom wie tijdens een race de hoogste maximumsnelheid heeft behaald.

De verschillende racemodes zorgen voor de nodige variatie, maar heel verschillend is het allemaal niet. Eigenlijk is alleen het driften essentieel anders dan de rest. Dit zorgt ervoor dat het spel al vrij snel in herhaling valt, iets wat overigens ook altijd al het grootste manco van de Tokyo Xtreme Racer-reeks was. Men had hier wat aan kunnen doen door wat meer inspiratie te halen uit de filmlicentie, waarin naast gewone races de meest knotsgekke stunts worden uitgevoerd. Vergeleken met de films gaat het er in de game dan ook erg braafjes aan toe. Voor de verschillende disciplines is het van groot belang om de juiste auto achter de hand te hebben. Het maakt in The Fast and the Furious namelijk zeker uit of je een voorwiel-, achterwiel- of vierwiel aangedreven voertuig bezit. Driften gaat veruit het best met een auto met achterwielaandrijving, terwijl je voor Grip Battles met een vierwielaandrijving het beste uit de voeten komt. Waar je in het eerste geval bij het minste of geringste al aan het driften bent, is het met een AWD-wagen haast onmogelijk een schuiver te maken. Toch is The Fast and the Furious geen echt realistische racegame geworden. Het spel pretendeert het wel te zijn (zo zijn er verschillende driving aids beschikbaar), maar slaagt niet echt in zijn opzet. Het driften is net iets te overdreven. Zelfs als je met lage snelheid voorzichtig een bocht in stuurt met een auto met achterwielaandrijving, zit je vrijwel direct in een dirft. Ook  botsingen met andere wagens en de omgeving, voelen erg nep aan. Als je ook maar iets een muur schampt sta je achterstevoren, of kleef je als het ware aan de muur vast. Het wagenpark bestaat, zoals gezegd, voornamelijk uit Japanse racemonsters. Er is echter ook een ‘US Import Dealer’ op de overzichtsmap te vinden, waar je onder andere Muscle Cars en een Ford Focus kunt kopen. Erg veel is het niet, maar je hebt in ieder geval een alternatief voor de Nissan’s, Mazda’s en Toyota’s. Alle auto’s zijn op flink wat aspecten te tunen, zowel visueel als qua prestaties. De tuningopties liggen redelijk in lijn met wat je in Import Tuner Challenge aantreft, maar vallen toch in het niet bij het ‘kneden’ van je auto zoals dat in de laatste Need for Speed-games kon. De achterkant van het doosje pakt groots uit met de tekst ‘Snelheid laat zich niet vertalen!’ en dat is inderdaad het grootste euvel van The Fast and the Furious: de framerate. Het spel voelt in zijn geheel net iets trager aan dan je zou willen en vertoont regelmatig flinke haperingen. Het hele beeld knippert dan even naar rare kleurpatronen, waardoor je haast zou denken dat er subliminal images zijn toegevoegd. Misschien had ik tijdens het spelen daarom zo’n zin in hamburgers? In de split-screen multiplayermode is de framerate nog een stukje erger, waardoor deze mode eigenlijk niet echt aanbevelenswaardig is. Voor de liefhebbers is echter ook een online multiplayermogelijkheid voorzien, maar verwacht daar geen drukte van jewelste. Een ander probleem zijn de laadtijden. Deze zijn op zich al aan de lange kant, maar ze zijn vooral erg frequent. Om bijvoorbeeld van een race naar de tuning shop te gaan, dien je eerst de parkeerplaats in te laden. Wanneer je deze verlaat ga je automatisch naar de free roaming spelwereld, wat ook weer gepaard gaat met een laadscherm. Om vervolgens de tuning shop uit de kiezen op je overzichtsmap en weer naar een laadscherm te mogen staren. Hier had men er goed aan gedaan om wat shortcuts toe te voegen. Ook het wisselen van auto gaat zeer omslachtig via de zogeheten Robo Garages waar je wagens opgeslagen liggen.