Ik weet het nog goed – ik was denk ik een jaar of 13 – toen we een splinternieuwe PC kregen thuis. Na maandenlang zeuren, waren mijn ouders eindelijk overtuigd van de noodzaak om een nieuwe computer aan te schaffen. 's Nachts lag ik wakker in mijn bed, dromend van hoe mooi mijn games eruit zouden zien op dat prachtige platte scherm met die fonkelnieuwe videokaart. Oké, dat is lichtelijk overdreven, maar ik was wel enthousiast.

En wat was het eerste dat ik deed toen onze nieuwe machine eindelijk onder het bureau stond te ronken? Tomb Raider installeren, of eindelijk kijken hoe Diablo eruit zag op een computer met redelijke specificaties? Nee, mijn eerste spel op dat bakbeest was een simpel kaartspelletje genaamd Patience. Voor ik het wist was het een paar uur verder en was de hele zondagavond die ik had vrijgehouden om te gamen, voorbij gevlogen. Mijn moeder dook achter mijn rug op, met de mededeling dat het tijd was om naar bed te gaan.

De zevende hemel

Waar komt die verslavende werking toch vandaan? Het plaatsen van verschillende kleuren kaartjes op elkaar heeft kennelijk een onverklaarbare werking, waardoor je in een soort zen-toestand de uren aan je voorbij kunt laten gaan. Steeds maar weer opnieuw proberen, totdat het eindelijk een keer lukt om je doel te bereiken en de zorgvuldig opgestapelde kaarten als een dolle over je beeldschermen vliegen. Eenmaal onderin stuiteren ze weer naar boven, in een soort zevende hemel van kaartplezier. Wat is er met die animatie gebeurd trouwens? Zo'n beetje het leukste onderdeel van het spel is vervangen door een kil schermpje met statistieken. Eeuwig zonde.

Juist het behalen van dat prachtige einde is de grote aantrekkingskracht van Patience. Het lukt niet al te vaak om alle kaarten kwijt te raken. Ten minste, als je de opties niet zo simpel hebt staan dat je eeuwig mag proberen en één kaart per keer omdraait. Nee nee, drie keer het pak kaarten door en dan is het game over, een echte Patiencer maakt het zichzelf niet te makkelijk.

Keer op keer kom je net niet uit, omdat een aas zich verscholen houdt tussen de verborgen kaarten of omdat je twee zwarte heren hebt liggen en alleen zwarte vrouwen voorgeschoteld krijgt. Frustrerend, maar dan druk je weer op F2 en denk je: “nog één potje dan”. Bij één potje blijft het natuurlijk nooit.

De keerzijde van de medaille

Dat is ook gelijk wat Patience voor mij verpest heeft. Niet omdat ik zelf het spel zat was, verre daarvan. Maar omdat mijn moeder de pracht van het simpele kaartspel ook ontdekte. Ik had zo gezeurd om die nieuwe computer, omdat ik wist dat mijn ouders hem toch alleen maar zouden gebruiken voor een mailtje en een zoekopdrachtje hier en daar. Er zouden zeeën van tijd overblijven voor mij om van die prachtige PC te genieten, dat wist ik zeker.

Maar helaas, de realiteit bleek anders. Mijn moeder raakte er verslingerd aan en ook mijn vader begon zich te interesseren in digitaal vermaak. Het spel van zijn keuze was FreeCell, iets ingewikkelder en natuurlijk veel minder leuk, maar het past in dezelfde categorie van verslavende niemendalletjes. Avond aan avond stond ik achter ze, meekijkend over hun schouder, geduldig wachtend tot het eindelijk mijn beurt was. Maar ook mijn moeder had de ziekte goed te pakken. “Nog één potje,” zei ze tegen me. Dan wist ik wel hoe het laat het was.

Mijn eigen speeltijd werd door dit alles flink ingekort. De nieuwe games die ik kocht, bleven grotendeels in de kast liggen, stof te verzamelen. Allemaal omdat Patience mijn ouders had betoverd en zij constant de bureaustoel achter het toetsenbord bezetten. En omdat ik in de kostbare tijd die ik kreeg, tóch nog even snel een potje Patience opstartte. Eén potje dan, meer niet. Echt!