Tijdens de paasdagen was ook ik weer het slachtoffer van alle familierituelen. Dagje bij de ene familie, dagje bij de andere familie en oh zo gezellig. Tussen alle verplichte gezelligheid door, heb ik tevens nieuwe inzichten vergaard, en wel die uit de kindergeest. Alvorens de maaltijd bij mijn schoonfamilie schoof ik namelijk aan achter de GameCube bij het elf jaar oude broertje van mijn vriendin. Voor hem ben ik een soort gamegod, want ‘ik krijg gratis spelletjes en moet als werk spelletjes spelen’. He-le-maal het einde.

Maar goed, de beste knaap was bezig met het spel Avatar: The Last Airbender, uiteraard in het Nederlands. Zelf had ik tot mijn schaamte nog nooit van het spel gehoord, al maakte ik hem duidelijk dat ik natúúrlijk veel van de game wist. Het in duigen laten vallen van de kinderdroom dat ik alles van games weet, wil ik niet op m’n geweten hebben. Voor de mensen die net als ik niet weten wat Avatar is: in de game, gebaseerd op een Nickelodeon serie, speel je met vier personages die allemaal iets met de elementen te maken hebben (water, vuur, aarde en lucht). Je kunt wisselen tussen de personages, zoals dit met veel filmgames het geval is, en moet op het juiste moment van het juiste personage gebruik maken om succes te boeken. Ik volgde zijn verrichtingen in de game voor zo’n tien minuten en kwam tot het inzicht dat het leven van de ontwikkelaar voor kindergames er één is van luilekkeren en aanmodderen. Want wat zijn kinderen -vergeef me voor m’n gebruik van inductieve principes om mijn punt duidelijk te maken- toch vergeeflijk.

Zo kwamen er op een gegeven moment een aantal vijanden op het drietal af, waarschijnlijk moest hij het vierde personage nog vrijspelen, die nog dommer waren dan het achtereind van een varken. Ze sloegen constant mis en als ze raak sloegen kwam de klap gelijk zo hard aan dat je bijna opnieuw kon beginnen. Tijdens het vechten vertelde de jongen mij over eerdere ervaringen met de game. Het was namelijk een keer voorgekomen dat hij op onverklaarbare wijze dood was gegaan en een heel stuk opnieuw moest doen. In plaats van de game te vervloeken om de bugs en andere negatieve prestaties, werd de situatie uitgelegd met de simpele woorden: “Oh dat heb ik weer”. Oh dat heb ik weer? Alsof de game onafhankelijk van jezelf bestaat als een soort utopie, en alle fouten op jou als speler verhaald moeten worden. Het is in de kindergeest geen seconde opgekomen de game de schuld te geven: als het mis gaat, ligt het waarschijnlijk gewoon aan míjn fouten. Naïef en zo verschrikkelijk makkelijk voor de ontwikkelaar. Je zou het bugtesten bij wijze van spreken bijna afschaffen.

Een stuk verderop in de game, hij had me inmiddels laten zien dat je ook langs vijanden kon sneaken “want al dat vechten was niet echt leuk”, ontstond een nieuwe confrontatie aan de rand van een afgrond. Ik vroeg hem op nonchalante toon of je ook van de afgrond af kon vallen. “Nee. Maar gelukkig, anders val ik er zelf misschien nog af”. Ik kan me zo goed voorstellen dat ik tijdens een solo speelsessie het gigantisch nep zou vinden dat je gewoon door kan rennen richting een gigantische afgrond en tijdens het schrijven van de review de lineaire tunnelvisie van de desbetreffende game als minpunt opnoem. Maar zo moeilijk denkt de kindergeest het niet. Je kunt er niet vanaf vallen en hebt daar vrede mee, kortom: dan speel je toch gewoon anders?

Het derde voorbeeld dat de vergeeflijkheid van kinderen aantoonde was een gevecht met een eindbaas. De eindbaas schoot vuurballen af op het trio en wanneer je na een salvo vuurballen ontweken te hebben op de vent afliep en hem wat klappen verkocht, ging hij op de grond zitten en kon je wat vulling van de levensmeter afsnoepen. Het probleem zat hem echter al in de eerste fase: het afvuren van vuurballen. De twee computergestuurde personages hobbelen op zo’n twee meter afstand achter de hoofdpersoon aan en wanneer je cirkeltjes gaat lopen om zelf te vuurballen te ontwijken, worden de dombo’s achter je geraakt. Ik heb me een aantal minuten op zitten vreten aan de ongelooflijk slechte kunstmatige intelligentie die vuurbal na vuurbal de leeghoofden achter je verwondde. De jongen speelde echter rustig verder en vulde met wat magie de levensmeter van de personen steeds weer op, zonder maar één keer geïrriteerd te raken door het constant herhalende proces. Waar ik de game inmiddels door de ruit gemieterd had, werd na vijf minuten rustig verder spelen de baas verslagen. Yeah, op naar het volgende deel!

En toen, op dat moment, viel het puzzeltje bij mij duidelijker dan ooit in elkaar. De gigantische markt voor kindergames wordt zonder enige moeite in stand gehouden door producten af te leveren die ergens wel wat in zich hebben en gemiddeld zo’n 5 á 6 in de reviewscores behalen, maar vol zitten met fouten die met meer inspanning er gemakkelijk uitgehaald kunnen worden. Maar dit wordt niet gedaan, simpelweg omdat het niet nodig is.

Daarbij rijst ook de vraag of wij als reviewers bij de bespreking van dit soort games niet nóg meer rekening moeten houden met de doelgroep. Natuurlijk bespreek je andere minpunten in De Kleine Zeemeermin dan in S.T.A.L.K.E.R., maar in hoeverre zijn wij eigenlijk in staat de desbetreffende games eerlijk te waarderen? Het is een vraag die mij momenteel weer even bezig houdt en wellicht kunnen mensen mij helpen in deze kwestie of middels andere voorbeelden het tegendeel van mijn Avatar-ervaringen bewijzen. Kom maar op.