Het gaat misschien te ver om de invloed van Commander Keen ook maar enigszins te vergelijken met die van de platformhelden Mario en Sonic op de spelcomputers. Tegelijk vormde Commander Keen wel min of meer de basis voor de doorbraak van PC-games. Commander Keen had niet bestaan zonder het programmeertalent van John Carmack. Hoewel Commander Keen op het eerste gezicht misschien niet zo revolutionair lijkt, was dat het wel. Niemand had namelijk voor mogelijk gehouden dat de PC in staat was om dergelijke soepel scrollende graphics weer te geven. Later zou Carmack bewijzen dat de thuiscomputer tot nog veel meer in staat was, met Wolfenstein 3D en Doom, waarmee de PC zelfs een flinke voorsprong kreeg op de consoles.

Shareware

Commander Keen had naast de technische voorsprong zijn succes voor een groot deel te danken aan het sharewaremodel. Dit zou je kunnen zien als de voorloper van de demoversie zoals we die tegenwoordig kennen, maar in plaats van een paar levels kreeg je een volledige episode gratis, die qua omvang niet onderdeed voor een volledig spel. Voor de overige episodes moest wel betaald worden, al verliep de bestelprocedure via een voor ons Europeanen vrijwel ontoegankelijk postordersysteem. Door deze opzet waren de gratis episodes veruit het wijdst verspreid, omdat die legaal op allerlei verzameldiskettes en -cd’s geplaatst mochten worden. Deze gratis episodes zijn in de volksmond, mede door de naam van de .exe-bestanden waarmee ze opgestart moesten worden, bekend als Keen 1 en Keen 4. Die laatste is ook nog eens, samen met Aliens Ate my Babysitter (Keen 6), de beste game in de reeks.

‘Keen 4’, voluit Commander Keen in Goodbye, Galaxy!: The Secret of the Oracle, is het eerste deel van de tweede reeks officiële Keen-episodes en is technisch een aardige sprong vooruit ten opzichte van de eerste drie episodes. Hoewel het aantal kleuren beperkt blijft tot zestien, zijn de achtergronden aanzienlijk gedetailleerder. De schaal is ook net iets groter, waardoor er meer detail verwerkt is in het uiterlijk en de animaties van Keen zelf en ook zijn vijanden. Daarnaast gebruikt het spel een subtiel perspectief, waardoor de platformen ook een bovenkant hadden in plaats van alleen een zijkant. Deze perspectiefwerking was ook al aanwezig in de ‘tussenepisode’ Keen Dreams, dat echter qua gameplay zoveel afweek van de vertrouwde Keen-formule dat het als het slechtste deel in de reeks en vaak niet eens als officiële Keen-game wordt gezien.

Vergeeflijker

Niet alleen visueel is Keen 4 een sprong vooruit, ook de gameplay zelf is aanzienlijk soepeler en vooral eerlijker. De eerste drie Keen-games hebben een aantal haast onoverkoombare obstakels, zeker in de latere levels, en de besturing is aanzienlijk stroever. Keen 4 heeft ook wel wat besturingsprobleempjes, zo is het door het perspectief niet altijd duidelijk waar platformen eindigen, maar het is al stukken beter dan in de eerste drie delen. Wanneer Keen een platform net mist, grijpt hij zich nog net aan het randje vast om zich vervolgens daaraan omhoog te trekken. Dit is ook de manier om op bijna onbereikbare platformen te komen, uiteraard met behulp van de springstok. Ook schiet Keen in deeltje vier niet alleen naar links en naar rechts, maar kan hij ook omhoog en omlaag schieten. Over vijanden heen springen en midden in de lucht een kogel naar beneden vuren: het was voor die tijd een ongekend voorbeeld van souplesse.

Keen 4 was ook de eerste game in de reeks, en een van de eerste games überhaupt, met de mogelijkheid om op elk gewenst moment het spel op te slaan. Er was weliswaar nog geen quick save-knop, je moest eerst door menu’s navigeren, maar de uitwassen waren hetzelfde. De verleiding om na elk obstakel op te slaan is immers groot. Het spel wordt er een stuk makkelijker op wanneer je te pas en te onpas savet en de levens zijn compleet overbodig. Hele levels opnieuw doen was echter geen alternatief en wanneer je nog met één leven overblijft is het frustrerend om na elke keer dat je sterft terug naar het hoofdmenu te worden gestuurd. Keen 4 laat zien dat overal kunnen saven en het gebruik van levens een compleet onzinnige combinatie is. In latere games zijn levens dan ook steeds meer op de achtergrond geraakt.

Beste game

Keen 4 is samen met Keen 6 het beste deel uit de reeks en wel om één simpele reden: variatie. Keen 5 is technisch weliswaar van hetzelfde niveau als Keen 4 en het laatste Keen-deel dat werd voltooid, want Keen 6 moest eerder af, maar dat maakte het nog niet beter. Keen 5 speelt zich geheel af in een ruimtestation en bijna alle level zien er hetzelfde uit. Keen 4 begint met een aantal idyllische dorpjes, gevolgd door ijzige grotten, oude tempels, een oase en zelfs een glazen stad die af en toe geheel verdwijnt. Het meest legendarisch is echter het onderwaterlevel, waarin je niet loopt maar zwemt en waar je pas naartoe kunt zodra je elders een duikpak hebt bemachtigd. Dit is het level dat de legendarische Dope Fish introduceerde, een grote, groene, boeren latende vis, die later in verschillende games van Apogee en id Software, maar ook van andere ontwikkelaars, op verborgen plaatsen zijn opwachting zou maken.

Onder gamers die in hun jeugd alleen een PC hebben gehad, roept Commander Keen nog steeds nostalgische gevoelens op. Des te opvallender is het dat er na het zesde deel in 1992 eigenlijk niets meer met de reeks gedaan is, buiten een tegenvallende Game Boy Color-game in 2001. En dat is nu niet meteen het platform waar je de meeste Keen-fans zou verwachten. Id Software had na het succes van Wolfenstein 3D en Doom inmiddels hele andere prioriteiten. Maar Keen is uniek genoeg om het eens een eigentijdse remake te geven. Id Software is inmiddels onderdeel van Bethesda en misschien is Keen wel een interessante reeks voor die uitgever om de markt van de downloadbare games mee te betreden. En anders kunnen we gelukkig met behulp van DosBox nog tot in lengte van jaren de oude Keen-games blijven herspelen, of je koopt de eerste vijf delen voor amper drie biertjes via Steam.