Plants versus Zombies kennen we als het tweedimensionale tower defense-achtige spelletje dat je jaren geleden al speelde op je iPhone, console, draagbare spelcomputer en magnetron. Vernieuwing kon de licentie goed gebruiken en gelukkig heeft de serie die in Garden Warfare gevonden. Wij zeggen geen ‘nee’ tegen een online third-person shooter gedoopt in kleurtjes, chaos en humor. Die omschrijving verraadt al een beetje wat je van deze spin-off moet verwachten. Garden Warfare is zo’n niet-zo-zeldzame online shooter met twee verschillende gezichten. Eentje coöperatief met drie spelers, het andere competitief met 24 spelers.

Garden Ops

Dat eerste gezicht is iedere gamer bekend en komt het meest in de buurt bij de roots van de serie. In de Garden Ops-modus krijg je als een van de Plants waves aan vijanden (de Zombies) op je afgestuurd. Geen eindeloze hoeveelheid, enkel tien waves. De vijfde en tiende ronde is een Boss-wave. Samen met drie anderen (of in je eentje, maar wie speelt er nou een Horde-achtige modus in zijn eentje?) dien je die allemaal te overleven én je tuin overeind te houden, waarna de spelers zich moeten verzamelen bij een centraal punt en worden weggevoerd in de vliegende camper van je homeboy Crazy Dave.

Garden Ops is na enkele potjes al niet meer interessant, omdat er met maar vijf maps weinig invulling aan het concept wordt gegeven. Bovendien komen de vele varianten op het Horde-speltype ons écht de neus uit. De mogelijkheid om in lege bloempotten ‘plantenturrets’ te spawnen is geinig, maar tegelijkertijd toonaangevend voor het gebrek aan originaliteit waarmee Horde- en Tower Defense-achtige modi gepaard gaan. Kijk je voorbij het inspiratieloze coöperatieve missiedoel, dan is er één ding dat Garden Ops wél goed doet: het nabootsen van de chaos waaraan het andere gezicht van Plants versus Zombies al zijn elan ontleent.

‘Multiplayer’

Die chaos gaat schuil onder het menutabje Multiplayer (goh), dat op zijn beurt is opgesplitst in twee hoofdmodi: Vanquish en Gardens & Graveyards. Vanquish komt het meest overeen met het welbekende Team Deathmatch. 24 spelers verdeeld over twee teams nemen het in Vanquish dus tegen elkaar op, helaas in maar een van de vijf Garden Ops-maps. Door de simpele opzet van Vanquish geldt de modus vooral als testcase voor je vaardigheden. Dat is niet per se denigrerend, want niets in Garden Warfare is zo belangrijk (én in niets schuilt zoveel lol) als de eigenschappen van de verschillende personages en hun onderlinge wisselwerking.

Zowel de Zombies als de Plants zijn namelijk onder te verdelen in vier totaal verschillende over-the-top personages, ieder met drie mogelijk nog vreemdere skills. Ter voorbeeld: aan de zijde van de Plants is de Peashooter de vlugge infanterist en dient de Cactus als sluipschutter. Hun skills sluiten naadloos aan op hun rollen op het slagveld: de Peashooter kan razendsnel rennen en heel hoog springen – wat er op een goede manier écht belachelijk uitziet, terwijl de wat conservatievere Cactus dekking kan bouwen en mijnen kan leggen. Hetzelfde gaat op voor de klassen aan de kant van de Zombies: de All-Star doet veel schade en kan met een bodycheck nóg meer schade doen, de ingetogen Scienist kan teamgenoten healen en zichzelf over korte afstanden teleporteren.

Zombie op een drilboor

Combineer al die personages en skills met elkaar, en je begrijpt dat de chaos die Garden Warfare heet nauwelijks of geen vergelijk kent. Je ziet cactussen door de lucht vliegen, Zombie-engineers op hun drilboor door de map stuiteren en de stealthy Chomper-klasse uit het niets uit de grond omhoog schieten, happend naar zijn volgende doelwit om te verorberen. Totaal belachelijk, maar in combinatie met de vloeiende framerate en het oh-zo-fijne stijltje konden we van deze kleurrijke en hectische potpourri maar geen genoeg krijgen. EA bracht eerder al het koddige Battlefield Heroes uit, maar ironisch genoeg is Garden Warfare een leukere vertolking van Battlefield dan Heroes zelf was.

Gardens en Graveyards is dan ook een prettige interpretatie van de Rush-modus uit Battlefield. Als team Zombies moet je steeds verder in de map geraken door bepaalde punten over te nemen. Lukt dat, dan schuiven de spawnpunten net als in Rush steeds een stukje op. Het toffe is dat het eindpunt altijd op ludieke wijze moet worden overgenomen. Zo word je in de ene map op het einde afgeschoten en zweef je honderden meters in de lucht naar je eindbestemming, terwijl de andere map vereist dat de Zombies à la Indiana Jones naar beneden rollende stenen ontwijken. In Gardens en Graveyards vallen zowel tactiek als lol verrassend goed samen.

Pakje kopen?

Garden Warfare is op het slagveld een heel geinige shooter met veel unieke variabelen, maar buiten de strijd om slaat de game de plank een beetje mis. Het aantal maps is bijvoorbeeld klein, waardoor we nogal snel op de Garden Ops- en Vanquish-modus waren uitgekeken. Het is mogelijk je personages aan te kleden en up te graden, maar helaas gaat dat aan de hand van een soort van kaartjessysteem, vergelijkbaar met Ultimate Team in FIFA. Het probleem daarvan is dat je enkel pakketjes met kaartjes kunt kopen (met in-game geld, de game kent geen microtransacties) en niet gericht bepaalde upgrades kunt aanschaffen. Daardoor verandert het verzamelen van de in-game punten al snel in grinden, want het kan weken duren voordat je een bepaalde upgrade in een pakje aantreft.

Nu is dat niet zo erg als dat bij veel andere shooters het geval zou zijn. Als schietspel is Garden Warfare zo verfrissend dat je de gameplay niet snel zat zult zijn. Sterker nog, weinig games maken het zo aanlokkelijk ze na dagen of weken weer eens op te starten, waarschijnlijk vooral omdat je op de zoveelste grauwe shooter bent uitgekeken. Vooral op dit vlak is Garden Warfare heer en meester: de onovertroffen stijl raakt de juiste snaar. Naast de verrassend diepgaande gameplay zijn de geluidseffecten, de vele kleurtjes en het koddige design van cruciaal belang voor de charme. Daar kan Respawn Entertainment met zijn logge inspiratieloze robots nog een puntje aan zuigen.