Na het redelijke Medal of Honor in 2010 besloot ontwikkelaar Danger Close verder te borduren op de Tier 1-soldaten en de strijd tegen het terrorisme. Warfighter gaat nog een stapje verder door niet alleen de Tier 1-soldaten van de US Navy op te voeren als de helden van nu, maar ook de elitesoldaten van bijvoorbeeld het Duitse, Poolse, Engelse en Russische leger. In militaire kringen beter bekend als de KSK, de GROM, de SAS en de Alpha.

Dat deze elitesoldaten slechts speelbaar zijn in de multiplayerstand vinden we erg jammer, want we hadden graag enkele missies met ze uitgevoerd. Nu mogen we andermaal het singleplayergedeelte van ongeveer een uurtje of zes (op de hoogste moeilijkheidsgraad) spelen met enkele, oude bekende, Tier 1-soldaten van het Amerikaanse leger. Tussen de levels door wordt er een verhaal uit de doeken gedaan over de strijd tegen een terroristische groepering die het liefst de halve wereld om zeep helpt. Bovendien voert de game wat drama op in de vorm van een gezin dat te lijden heeft onder de druk en het eergevoel van het soldaatzijn. En hoewel het verhaal soms wat geforceerd aanvoelt en de hoeveelheid doden die papa maakt in een belachelijke verhouding staat tot zijn eigen sores, voelen we wel aan dat de game probeert anders te zijn. Iets wat we vooral terug zien in de gameplay zelf.

Pootje baden in een tsunami

Natuurlijk hebben we veel van de gameplay al gezien in andere shooters, maar Warfighter geeft je wel het gevoel met iets tastbaars bezig te zijn. Een voorbeeld daarvan vinden we het level in de Filipijnen waarbij we middenin een tsunami enkele gijzelaars proberen te redden. Een tsunami hebben we nog nooit gezien, maar we kunnen ons indenken dat het een beetje voelt zoals in Warfighter. En datzelfde tastbare gevoel overvalt ons ook als we door de krappe straten van Arabische vestingstadje lopen of in een vervallen ijshockeystadion ergens in Servië knokken voor ons leven. De game weet ons zelf aangenaam te verrassen met enkele autoachtervolgingsscènes die erg prettig aanvoelen en qua originaliteit hoog scoren.

Grafisch durven we zelfs te stellen dat de game menig andere shooter achter zich laat dankzij schitterende rook- en lichteffecten en realistisch ogende textures. Maar het allerbelangrijkste vinden we toch dat het vuren van je wapen zo heerlijk aanvoelt. Alsof je bijna door je muis heen merkt of je met een licht of een zwaar machinegeweer vuurt. De terugslag, het geluid, de impact van de kogels; alles voelt heel realistisch aan.

Maar waar gaat het dan mis? Allereerst is daar de bijzonder gebrekkige kunstmatige intelligentie die ervoor zorgt dat tegenstanders zich soms zonder na te denken op je storten. Nu kennen we allemaal de term zelfmoordterrorist, maar een Japanse kamikazepiloot zou nog jaloers worden op de gretigheid waarmee deze Jihad-strijders hun beloning in het hiernamaals opeisen. Bovendien wordt de game geteisterd door een reeks aan bugs, variërend van zwevende wapens en haperende teamleden tot zwarte schermen en tegenstanders die half uit in een autowrak hangen. Het grootste gebrek vinden we echter dat de game, ondanks dat het laat zien zelf best origineel en uitdagend kan zijn, teveel leunt op geijkte paden en kiest voor de weg van de minste weerstand. Denk daarbij aan het standaard schieten-vanuit-een-helikopter-stukje of het verplichte vrachtschipnummertje.

En dan hebben we het nog niet eens gehad over het breach-gedeelte (het bestormen van een afgesloten kamer) waarbij de verschillende wapens die je vrij kunt spelen om deuren te openen net zo overbodig zijn als een scheermesje bij een Tier 1-soldaat. Daarom kunnen we niet anders dan concluderen dat het singleplayergedeelte gewoon niet boven de middelmaat uitkomt. Danger Close probeert op teveel vlakken overdreven gladjes en actievol te zijn, terwijl wij liever hadden gehoopt op subtiel en intens. Als gevolg wordt de game terecht vergeleken met concurrenten en verliest het die directe strijd door alle onvolkomenheden en een bijna overdreven uitvoering van enkele net-niet gelukte actiescènes. De game zou uitstekend kunnen bestaan binnen zijn eigen, geheimzinnige wereld van Tier 1-soldaten. Een wereld waar de kunde en de beheersing van een arsenaal aan dodelijke wapens bovenaan staat. En niet hoeveel kogels je binnen een minuut richting de vijand kan spuwen. Maar daarvoor is niet gekozen.

Samen

Als we alleen op het singleplayergedeelte af zouden gaan, dan komt de game tekort. Gelukkig is de game voorzien van een uitdagend online gedeelte. Hier weet Danger Close enkele nieuwe gameplayelementen toe te voegen die zorgen voor wat nieuw elan. Zo speel je dit keer met een Fire Team, bestaand uit je buddy en jijzelf. Zolang je buddy niet onder vuur ligt kun je altijd bij hem spawnen, maar is hij ook prima geschikt als wandelende munitiebox of eerstehulpkit. Dat je hierdoor in principe oneindig kan blijven vuren op de vijand voelt wat raar aan, maar dit is in wezen niet veel anders dan de supportklasse in Battlefield 3. En daar hebben de meeste gamers ook geen moeite mee. Het hele Fire Team werkt eigenlijk heel erg prettig en we gingen automatisch al op zoek naar onze buddy om vervolgens ook bij elkaar in buurt te blijven. Je bent ten slotte altijd sterker met z’n tweeën.

Ook de op enkele punten wat afwijkende spelmodi zorgen voor een wat meer uitdagendere online ervaring. Speel je bijvoorbeeld een potje Sector Control (een soort capture the flag) dan draait het niet langer om slechts één vlag. De verdedigende partij moet twee vlaggen moeten verdedigen, terwijl de aanvallers er maar eentje nodig hebben om te winnen. Goed samenwerken met je persoonlijke teammaat en de rest van jouw team wordt dan van levensbelang. Eenzelfde aanpak zien we ook terug bij Hot Spot, waarbij vijf bommen onschadelijk moeten worden gemaakt, maar de locaties per keer verschillen. Door beide modi wordt de game een stuk dynamischer en verschuift het hele ik-gevoel dat we vaak terugzien in online shooters naar een meer wij-gevoel. Teams waar spelers niet samenwerken, worden genadeloos afgeslacht en daar kunnen we uit eigen ervaring over meepraten.

Eigenlijk weet de game dankzij het nieuwe Fire Team-element en bijpassende spelmodi zich prima te nestelen tussen enerzijds Call of Duty en anderzijds Battlefield. De game kent geen grootschalige levels, maar verzandt ook niet een game met krappe kamers waarbij je na iedere hoek een shotgun door je neus geboord wordt. De game lukt het bovendien om killstreaks toe te voegen zonder dat ze daarbij de boventoon voeren. Ze zijn maar sporadisch te gebruiken, passen bij de klasse waarmee je op dat moment speelt en zijn daarbij nooit onverwoestbaar of overdreven krachtig.

Maar ook hier worden de goede elementen nog een beetje overschaduwd door een paar tekortkomingen. Zo zijn de menu’s overdreven vol gepropt met allerlei schermen en voelt het bijhouden van je soldaat en zijn wapen allesbehalve intuïtief aan. Na een tijdje heb je wel door waar alles zit, maar dit had zeker beter gekund. En mocht je denken dat het online gedeelte vrij is van bugs dan heb je het goed mis. Servers waar je granaten per drie gooit of wapens nooit leeg raken komen voor.

Wat we echter het meest schrijnend vinden, is het zeer beperkte schademodel dat Warfighter herbergt. Met de wetenschap dat de game draait op de Frostbite 2.0-engine, verwachten wel wat meer destructie dan een paar houten planken die versplinteren. Huizen hoeven niet in te storten, maar een afbrokkelend muurtje was toch wel welkom geweest. Nu kun je als speler blijven schuilen in een huisje, zonder dat daar consequenties aan verbonden zijn en dat werkt campen een beetje in de hand. Maar ondanks dat blijft samenwerken in de game wel de boventoon voeren en dat vinden wij een meer dan prettige bijkomstigheid. Warfighter is absoluut geen topper, maar herbergt onder al die bugs, mislukte hipheid en overdreven actie een shooter met potentie.

Deze game is gespeeld op PC.