Wie de film Pearl Harbor heeft gezien, zal het vast wel met ons een zijn; de acteerprestaties van beide hoofdrolspelers waren zo slecht dat je graag in een Mitsubishi Zero was gekropen om ze vervolgens te trakteren op een bommetje of twee. Daar krijg je nu eindelijk de kans toe in Battlestations: Pacific. Het enige wat je hoeft te doen is Hartnett en en Affleck erbij te fantaseren, de rest wordt verzorgd door Eidos.

Natuurlijk heeft de film Pearl Harbor niets met deze game te maken, maar het is voor de verandering wel eens fijn om niet met de Amerikanen te hoeven spelen. In het eerste deel, Battlestations: Midway, kreeg je nog een zoetsappig verhaal over een eigenwijze, Amerikaanse luitenant. Allemaal leuk en aardig, maar tijdens de campagne kreeg je niet de mogelijkheid om bijvoorbeeld met het zwaarste slagschip van de Tweede Wereldoorlog, de Yamato, de Amerikanen onder vuur te nemen. Deze keer voorziet het spel echter wel in twee campagnes, die van het Japanse Keizerrijk en die van de Amerikanen. Dat het verhaal ditmaal niet meer voorstelt dan wat saaie filmpjes en lange lappen tekst, nemen we maar voor lief.

Battlestations: Pacific laat zich moeilijk in een hokje te stoppen. De game is in wezen een actiegame, waarin je als speler plaatsneemt in jachtvliegtuigen, bommenwerpers, onderzeeboten, jagers en slagschepen. De besturing van de voertuigen is redelijk simpel gehouden, waardoor je het spel snel oppikt en de focus vooral op de actie ligt. De missies zijn in het begin erg overzichtelijk en vaak bedien je slechts een handvol eenheden. Zo neem je in de eerste Japanse missie, de aanval op Pearl Harbor, achtereenvolgens plaats in een jachtvliegtuig, een torpedobommenwerper en een bommenwerper. Telkens wanneer je een gedeelte van de missie succesvol hebt afgerond, plaatst de computer je in het volgende vliegtuig. Een goede manier om de vaart erin te houden en tevens een reden waarom je constant op het puntje van je stoel zit.

Maar het kan er ook heel anders aan toe gaan. Wat verder in het spel mag je de Fiji-eilanden proberen te veroveren en daarmee verandert het spel van een snelle arcadegame in een wat eenvoudige RTS. Je krijgt namelijk de controle over een vliegdekschip, verscheidene torpedobootjagers en tientallen vliegtuigen. Tijdens de slag ben je dus constant aan het wisselen tussen je eenheden. Sommige spelers zullen zelfs ervoor kiezen om vanuit de tactische kaart spelen. Op de tactische kaart zie je in één oogopslag namelijk alle eenheden (zowel vriend als vijand) en kun je veel sneller de juiste opdrachten geven. De spanning is ver te zoeken op deze manier, maar het overzicht des te beter. Wil je het hele gevecht volgen vanuit één en dezelfde eenheid, dan is dat ook mogelijk. De kansen op de overwinning worden er echter wel een stuk kleiner door.

De gameplay van het spel is dankzij deze twee verschillende speelstijlen behoorlijk afwisselend. Het ene moment stort je jouw vliegtuig met ware doodsverachting in een spervuur aan kogels om uiteindelijk een torpedo af te vuren op je doelwit. Het andere moment vuur je een salvo op een flottielje kruisers af vanaf een gigantisch slagschip. En tussen de grote zeeslagen door sluip je met een onderzeeboot ongezien de haven van Sydney binnen of zoek je contact met een Duitse onderzeeboot met geheime informatie. Door de toevoeging van een Japanse campagne krijg je bovendien de beschikking over kamikazevliegtuigen en kamikazevaartuigen. Voertuigen die je zonder schuldgevoel de dood in mag jagen en waar menig gamer ongetwijfeld plezier uit zal halen.

De kern van het spel is in vergelijking met Battlestations: Midway weinig veranderd, maar Eidos heeft een paar subtiele, doch belangrijke veranderingen doorgevoerd. Om te beginnen is het nu ook mogelijk om eilanden in te nemen. De veroverde eilanden zorgen niet alleen voor ideale surfplekken, maar ook voor upgrades en versterkingen. Hoewel het veroveren van eilanden soms erg lang duurt en het in de campagnemodus wat geforceerd aanvoelt, zorgt het wel voor een compleet andere speelstijl. Waar je in het eerste deel zonder te kijken alles platbombardeerde, denk je nu wel twee keer na voordat je een Japans vliegveld uitschakelt. Dit vliegveld kan namelijk ook dienst doen als een uitvalbasis voor jouw vliegtuigen. Andere, kleinere verschillen met zijn voorganger vinden we onder meer terug in een duidelijk icoontje dat de laadtijden van je wapens aangeeft en de mogelijkheid om je gedropte bommen of torpedo's naar het doelwit te volgen.

Het grootste verschil is echter de toevoeging van een uitgebreide skirmish- en multiplayermodus, die ervoor zorgen dat het spel ook na het halen van de campagnes nog steeds boeiend blijft. Je kunt kiezen uit vier speltypes die allemaal een compleet andere ervaring bieden. In Siege is het de bedoeling dat je binnen een bepaalde tijdslimiet een basis moet verdedigen dan wel uitschakelen. Je kunt echter maar één eenheid tegelijkertijd besturen. In Competitive neem je ook de controle over één eenheid, maar strijden de menselijke spelers allemaal aan dezelfde zijde. Wie de meeste vijanden uitschakelt, wint. Tijdens een potje Duel besturen alle spelers hetzelfde type eenheid (Japans of Amerikaans) en is het doel simpel: als laatste overblijven.

De laatste en meest uitgebreide modus, is Island Capture. In Island Capture speel je op grote speelvelden en is het de bedoeling om zoveel mogelijke eilanden (lees: basissen) te veroveren. Een potje Island Capture kan alle kanten op gaan en biedt spanning van de bovenste plank. Jammer genoeg zijn de speelvelden soms net wat te groot en kan het erg lang duren voor je eenheden op de plaats van bestemming zijn. Maar buiten dat is deze modus een prima toevoeging en ideaal om alle facetten van Battlestations: Pacific uit te proberen.

Naast de gameplayverbeteringen heeft het spel ook een grafische opknapbeurt gehad. Het eerste deel zag er redelijk uit, maar had bijzonder matige textures en, voor een game die zich volledig op zee afspeelde, wat tegenvallende watereffecten. In Battlestations: Pacific is er duidelijk wat meer aandacht geschonken aan het detail en de zee. Vooral de vliegtuigen zien er bijzonder goed uit en ogen niet alsof ze rechtstreeks uit de fabriek komen. Bovendien wordt er in dit deel veel beter gebruikgemaakt van verschillende weer- en lichteffecten en zit er dus ook meer sfeer in het spel.