Maar misschien wel de grootste miskleun kwam van ene Joost Poort, economisch onderzoeker van de Stichting Economisch Onderzoek. Deze econoom stelde dat Nederland nooit het kloppende hart van de game-industrie zou worden, omdat het een internationale industrie is. Ik hoop dat Joost verkeerd geciteerd is, anders kan hij zijn titel van onderzoeker wat mij betreft inleveren. Dat had hij in 1911 tegen veiling Bloemenlust in Aalsmeer moeten zeggen: "De bloemenindustrie is een internationale industrie, daarom kan Nederland nooit het kloppende hart daarvan worden". Maar Joost maakte nog een andere uitglijder: "Succesvolle gamebedrijven kunnen in Nederland best financiering vinden". Uiteraard kunnen succesvolle bedrijven altijd financiering vinden, maar er is wel geld nodig voor dat eerste succes. Gamebedrijven hebben het in Nederland erg moeilijk met vinden van geldschieters en dat weet ik uit ruim vijftien jaar ervaring in de creatieve en game-industrie.

Ik weet niet waar ik moet beginnen met het weerleggen van dit artikel. Bij de schrijver zelf, of bij deze Joost Poort. Maar weinig van het artikel en de strekking ervan klopt. Laten we beginnen bij de hoeveelheid subsidie die blijkens het artikel de game-industrie zou 'doodknuffelen'. De opgevoerde bedragen tellen op tot vijf miljoen. Dat is niet het totale subsidiebedrag dat in de industrie is gestoken, bij mijn weten is dat minimaal het dubbele, maar laten we voor het gemak met tien miljoen rekenen in de afgelopen vijf jaar. In de afgelopen vijf jaar hebben meerdere organisaties, waaronder Dutch Game Garden, Festival of Games en Game in the City subsidies ontvangen voor het stimuleren van de Nederlandse game-industrie. In 2005 bestond de Nederlandse game-industrie uit een 500 tot 600 werknemers. In de afgelopen vijf jaar hebben de ondernemers deze sector ruim vier keer zo groot gemaakt. Er worden nu tussen de 2000 en 2500 werknemers geteld. En omdat veel van de games internationaal worden uitgegeven dragen zij ook allemaal bij aan een positieve handelsbalans. Helaas zijn daar nog geen harde cijfers van beschikbaar, maar het zou goed zijn als een gerespecteerd bureau daar eens onderzoek naar zou doen. Een kleine 2000 extra arbeidsplaatsen voor tien miljoen euro is een schijntje. Dat is hetzelfde bedrag dat de Gemeente Den Haag heeft besteed aan de aankoop van het ADO-stadion.

Maar hoe verstoort dit precies de marktwerking? Dat wordt in het artikel nergens uitgelegd. Waarschijnlijk omdat het nonsens is. Het probleem van de game-industrie is namelijk dat zij consequent in hokjes wordt geplaatst waar zij niet thuishoort. Het zijn geen ICT-ers, het zijn geen kunstenaars, het zijn geen vormgevers, het zijn geen reclamebureau's. Businessmodellen uit andere sectoren hierop loslaten zonder enige nuancering is kolder. Poort stelt dat de game-industrie gewoon een onderdeel van de entertainmentindustrie is en daarom geen voorkeursbehandeling nodig heeft. Maar welk deel van de entertainmentindustrie dan? De filmindustrie? Waar een van de meest succesvolle films, Oorlogswinter, €900.000 uit het filmfonds krijgt, €1.5 miljoen uit een matchingfonds, €400.000 van het COBO en €100.000 van omroep Max? Of bedoelt hij wellicht de televisie-industrie, die met ruim €600 miljoen subsidie drie televisie- en zes radiozenders in de lucht mag houden?Nee, waarschijnlijk bedoelt hij de successen van de muziekindustrie. De Europese unie heeft nog onlangs €400 miljoen subsidie uitgetrokken voor het stimuleren van de Europese hiphop- en dance-sector.

De marktwerking is dan in de hele entertainmentindustrie wellicht ver te zoeken, in de game-industrie is er tenminste nog een markt te ontwikkelen en daarvoor zijn subsidies die de markt als geheel versterken door internationale representatie, dealmaking events, kennisuitwisseling en versterking van de branche een uitermate effectief middel. Zo hebben Nederlandse studio’s als Romino en Monobanda enorme baat gehad bij een subsidieregeling. De tegenwerping dat er bedrijven zijn die daar geen gebruik van hebben gemaakt, doet niets af aan de effectiviteit. Een sector die groeit doet dat per definitie autonoom. Aandacht voor de sector, internationale bekendheid en een positief investeringsklimaat zijn daarbij belangrijk hulpmiddel. Dat is precies wat de genoemde subsidies beogen. Dat helpt bedrijven marktklaar te maken. Het is tenslotte een internationale markt waarin landen als Frankrijk en Canada miljoenen uittrekken om de marktwerking wel te verstoren.

De subsidies zouden vooral lokaal zijn en dus niet bestemd voor alle gamebedrijven. Hoewel een uitspraak van Martijn Reuvers van Two Tribes in het Elsevier-artikel dat lijkt te ondersteunen, is dat toch bezijden de waarheid. Want hoewel een aantal gesubsidieerde bedrijven in Utrecht is geconcentreerd, zijn de genoemde subsidies vrijwel allemaal landelijk. Het betreft subsidie voor de gehele sector die in een aantal gevallen wordt uitgevoerd door bijvoorbeeld de provincie Utrecht of Friesland. De doelstellingen dienen echter heel Nederland en alle bedrijven kunnen hier gebruik van maken. En dat doen ze ook. Niet alleen Two Tribes, die afgelopen juni nog gebruik maakte van de mogelijkheid personeel te werven op de gesubsidieerde Career Fair. Ook Spil Games of Little Chicken, beiden aangehaald in het artikel, maken gebruik van bijvoorbeeld de flink gesubsidieerde Holland Paviljoens tijdens de Game Developer Conference in San Francisco. En dat zeg ik niet als verwijt, integendeel: met dergelijke initiatieven krijgen we de kans om de industrie internationaal flink op de kaart te zetten.

Want die uitglijder van Joost Poort is een van zijn meest flagrante. Nederland zou nooit het internationale centrum kunnen worden van de game-industrie, want "het is een internationale business". Daarmee gaat hij er aan voorbij dat een bedrijf als Spil Games juist internationaal marktleider is voor casual game platforms. Of dat Nederland internationaal vooraanstaand is in het ontwikkelen van zogenaamde serious games: Games voor educatie, advertenties en medische doeleinden. Dat Nederland niet snel de VS of Japan zal inhalen in totale omzet, dat is aannemelijk. Maar hij gaat volledig voorbij aan de disruptie die op dit moment de game-industrie volledig op zijn kop zet: digitale distributie. En laat Nederland nou het grootste internet knooppunt ter wereld hebben. Hoe Nederland daarin de grootste van de wereld is geworden, moet je niet aan Joost Poort vragen, volgens hem schijnt dat niet te kunnen.

Betekent dit nu dat subsidie maar klakkeloos moet worden uitgedeeld? Nee, natuurlijk niet. En dat is ook niet gebeurd. Wat mij betreft mogen er best kritische vragen over het rendement van subsidies worden gesteld. Wat leveren die subsidies nou op? Helaas zal het antwoord echt niet altijd duidelijk te geven zijn, omdat het effect soms niet of pas veel later te meten is. Maar de trend is heel duidelijk ingezet in 2005 toen we voor het eerst begonnen met het organiseren en (internationaal) presenteren van de parels van de creatieve industrie in Nederland. Dankzij keihard werk van ondernemers en een beetje glijmiddel door middel van subsidie, brengt de industrie wel internationaal goed lopende titels uit als Overlord, Killzone, Swords & Soldiers, Toki Tori, Star Defense en nog veel meer. Hiermee weet zij wel degelijk een positie te verwerven. Dit blijkt ook uit de belangstelling van internationale portals en publishers die ieder jaar naar het Festival of Games komen en daar direct zaken doen met Nederlandse ontwikkelaars. Om toch een beetje financiële verantwoording af te leggen, herhaal ik nog maar eens dat tien miljoen subsidie voor een industrie die in vijf jaar tijd verviervoudigd is, internationaal opereert en zo'n vijfhonderd miljoen omzet, de schatkist inmiddels meer heeft opgeleverd dan gekost en dat lijkt me het doel van elke economische stimuleringssubsidie: dat hij aantoonbaar moet renderen. Ik weet niet of de Stichting Economisch Onderzoek nog andere gekwalificeerde economen in dienst heeft, maar wellicht zouden die dan eens kunnen beginnen met een gefundeerd onderzoek, in plaats van wat losse flodders die ook nog eens onjuist zijn.


Seth van der Meer
Seth is (mede-) grondlegger van het Festival of Games, Dutch Game Garden, Pitch & Match, Brands & Games en Dutch Game Masters. Voor de branchevereniging Dutch Game Association zit hij in de stuurgroep 2g@there die verantwoordelijk is voor internationale representatie van de Nederlandse game-industrie. Als ondernemer van Sandfire bedenkt en bouwt hij diverse applied games voor internationale opdrachtgevers.