Toen ik in 2004 voor het eerst naar de beurs ging, werd ik gewaarschuwd voor de Kentia-hal. Er werd over gesproken een slangenkuil, alsof je in Minecraft per ongeluk jezelf in een grote grot groef met daarin honderden spinnen. Wie naar de Kentia-hal zou gaan, zou nooit meer hetzelfde zijn. Nee, Jelle, als je echt verstandig bent, blijf je in de West- en South-hall. Dat zijn de hallen waar de grote uitgevers hun stands hebben en je de echt toffe games kan zien. En zo huppelde ik als jochie van 21 tussen de twee hallen. Dat deed ik op de eerste dag, dat deed ik op de tweede dag, maar op de derde dag besefte ik dat ik alles wel gezien had.

Op dat moment had ik twee keuzes: bier drinken in het zonnetje terwijl ik stukjes zou typen, of toch die Kentia-hal in. Niet wetende of ik ooit nog terug zou keren in Los Angeles, besloot ik al mijn moed bij elkaar te rapen en een roltrap naar beneden te nemen. Bij het afdalen naar beneden viel me gelijk op dat de geur richting de Kentia-hal veranderde. In plaats van het zoete parfum van de bootbabes (die toen nog écht lekker waren), werd de geur van oud zweet steeds penetranter. Oud zweet van mannetjes in de veertig met lange baarden die zes dagen lang hetzelfde shirt aan hadden, terwijl zij fastfood vraten en niet buiten kwamen. De geur werd immer intenser en toen ik eenmaal de Kentia-hal binnen kwam, verlangde ik naar een gasmasker.

Ik begreep gelijk waarvoor ik werd gewaarschuwd. Ik was terecht gekomen in de gamershel. En ik werd opgemerkt. Hier was geen drukte zoals in de andere hallen, hier stond je als bezoeker gelijk in de schijnwerpers als je binnenkwam. Er werd door zombie-achtig ogende game-ontwikkelaars met foute kleding en nog foutere coupes smachtend naar je gekeken. En ik was zo stom om door te lopen en binnen te worden gelokt bij wazige standjes.

Er was ongelofelijk veel crap te ontdekken in de Kentia-hal. Ik heb heel veel games gezien die nooit zijn uitgekomen, zoals een Koreaanse pingpong-game met schaars geklede schoolmeisjes die iets te geil gilden bij het slaan van een bal. Ook heb ik een honkbalspel gespeeld waarbij je met een echte knuppel op het juiste moment moest zwaaien om een bal te meppen. Daarmee was het eigenlijk een voorloper van de Wii, met het verschil dat het onmogelijk was de bal daadwerkelijk goed te raken. Ik heb shooters aanschouwd waarbij de framerate niet boven de twee kwam en de meest merkwaardige accessoires voor spelcomputers gezien.

Het was een rariteitenkabinet, maar dat was eigenlijk ook wel mooi. Hoe verder ik de hal in liep en hoe slechter de games werden, hoe magischer het werd. De Kentia-hal was een plek van verdorvenheid, die tegelijkertijd de schoonheid van de mens liet zien. Want wanneer mensen zo trots kunnen zijn op pure rommel, ontstaat bij mij ook het geloof dat er uiteindelijk wereldvrede kan ontstaan.

En zodoende werd de Kentia-hal een vaste prik tijdens mijn E3-bezoek. De games bleven kut, de ontwikkelaars bleven stinken en ik bleef vrolijk. Tot 2007, toen alles anders werd. De Kentia-hal verdween voor altijd en dat is en blijft doodzonde. Zodoende hebben Gamer-redacteuren als Michel, Gerard en straks Marcel nooit de volledige E3-ervaring zoals die eigenlijk hoort te zijn. En de kans op wereldvrede is natuurlijk ook compleet verkeken...


Over de auteur: Jelle van Es is de hoofdredacteur van InsideGamer, de grootste gamesite van Nederland.