Het is nu precies vier jaar nadat het Amerikaanse leger Irak binnenviel en het regime van Saddam Hoessein omverwierp. In plaats van een feestelijke gelegenheid die het einde van de dictatuur viert, wordt dit gegeven bekeken als vier jaar steeds dieper in het moeras wegzakken. Maar de media zijn nog verrassend mild als je in ogenschouw neemt wat voor barbaarse daden er in Irak worden gepleegd. En wie kan er heden ten dage beter een statement maken dan de gamesindustrie? In een artikel in het Algemeen Dagblad van zaterdag 17 maart doet een naar Canada gevluchte deserteur zijn relaas over zijn Irak-periode. “Elke dag vielen we Iraakse huizen binnen. We sleurden vaders en zonen mee en vernielden het huisraad. Maar we vonden nooit één bewijs van terrorisme. De oorlog bleek gebaseerd op leugens.” Hij stelde zichzelf de vraag waarom Amerika in Irak was. “Ik kon die vraag niet beantwoorden. Ik zag alleen maar dat we onze woede uitleefden op onschuldige burgers. Wij hoorden de good guys te zijn, de brengers van democratie. Maar wij waren de terroristen, niet zij.” Joshua Key, de deserteur in kwestie, beschrijft een ander tafereel. Vanuit zijn pantservoertuig zag hij vier onthoofde lichamen in witte gewaden liggen. Twee collega’s van hem voetbalden met de hoofden van de Irakezen en hadden de grootste lol. Maar zijn moraal brak pas echt bij een zo mogelijk nog gruwelijkere gebeurtenis. Er was namelijk een Irakees meisje dat regelmatig bij de Amerikanen om eten bedelde. “Speciaal voor haar nam ik altijd een extra maaltijd mee. Op een dag kwam ze weer aanrennen. Terwijl ik naar mijn rantsoen greep, hoorde ik een machinegeweer. Haar hoofd explodeerde als een paddestoel. Het was zo’n schok, ik kon niet geloven wat ik had gezien. Ik weet niet wie er schoot, maar het was het geluid van Amerikaanse wapens.” Tijdens de Vietnamoorlog zaten journalisten op de huid van de soldaten en registreerden ze vele dergelijke taferelen. In Irak wordt de media afgehouden, en het is dan ook aannemelijk dat een verhaal van één soldaat nog maar het topje van de ijsberg is. Om door te gaan over de Vietnamoorlog: toen deze woedde ontstond er onder alle lagen van de bevolking een bepaald politiek engagement. Mensen protesteerden tegen het doodschieten van Vietnamese kinderen en tegen de napalmbombardementen. Er werden films gemaakt zoals Platoon en Apocalypse Now waarin de Amerikaanse waanzin werd uitgebeeld. Irakese kinderen worden nu ook doodgeschoten door Amerikanen, en er zijn chemische bombardementen uitgevoerd op Irakese wijken, maar het grootschalige verzet tegen dit soort wandaden is nergens te vinden. Nu ben ik hier niet om de lezers van deze site een mening op te leggen, maar ik wil wel de rol benadrukken die allerlei media kunnen hebben in het bewustmakingsproces onder de bevolking. En waarom zou de gamesindustrie tijdens de oorlog in Irak niet de rol over kunnen nemen die de filmindustrie had in de Vietnamoorlog? De bekendste Vietnamfilms werden dan wel kort na de oorlog gemaakt, maar waarom zou dat bij de oorlog in Irak moeten? Laat me een scenario voor een Irak-game presenteren: eerst wordt 11 september gepleegd, er wordt een link gelegd met Saddam, je wordt afgesnauwd op boot camp en je gaat naar Irak. In Irak trap je deuren in van huizen, sla je onschuldige gezinsleden in elkaar en zet je ze gevangen. Later kom je langs in Aboe Ghraib en zie je dat deze mensen doodgemarteld zijn. Je raakt betrokken in de slag om Falloeja en je ziet tientallen lichamen van burgers die door witte fosfor intern verbrand zijn. Ook neem je deel aan een slachting in een Irakees dorpje waar biddende mensen in koelen bloede door hun hoofd worden geschoten. De game eindigt met een filmpje waarin je in een doodskist met Amerikaanse vlag het vliegtuig in wordt geladen. Het bovenstaande klinkt de meeste mensen waarschijnlijk erg grof en provocerend in de oren, zo niet aanstootgevend. Maar wat is er nou aanstootgevender? Een game die serieus ingaat op de bloedige werkelijkheid of semi-propagandistische games, zoals natuurlijk America’s Army, maar ook Close Combat: First to Fight en Terrorist Takedown. Waarom zou er geen maatschappelijke taak voor de gamesindustrie weggelegd zijn? Op dit moment staat de gamesindustrie nog maar in haar kinderschoenen wat betreft verhaalvertellingen. Een analyse onder huidige shooters is gauw gedaan: de goeden tegen de slechten, geen morele afwegingen, geen diepgaande karakters. De gamesindustrie bevindt zich wat dit betreft op het niveau van de simpelste films met Arnold Schwarzenegger en Sylvester Stallone: lekker knallen, veel actie, niet teveel nadenken. Maar de filmindustrie is doorgegroeid, want maatschappijkritiek in de vorm van Vietnamfilms komt zeer vaak voor. In de afgelopen jaren zijn bijvoorbeeld Syriana, Good Night and Good Luck, The Constant Gardener en Blood Diamond verschenen. Allemaal films die op de een of andere manier de huidige maatschappij aan de kaak stellen. Waarom zouden games dit niet kunnen? Het vereist een nieuw soort innovativiteit, maar om volwassen te worden als serieus medium en niet slechts als plat vermaak, moet deze stap gemaakt worden. De oorlog in Irak is wellicht een geschikt aangrijpingspunt om een serieuze, maatschappijkritische game te maken en als kritisch medium de rol in te nemen die andere media op dit moment niet op zich nemen.