Elk jaar wordt er ergens in Amsterdam een bar afgehuurd waarin het gros van de uitgevers en media uit België en Nederland het op een informeel zuipen zetten. Concullega’s worden speels in de zeik gezet, beschamende perstrip-anekdotes worden bevestigd en aangedikt, kortom: een feestje. 27 januari jongstleden was het weer zover.

Begroet worden met “hey ouwe” of “daar is ie dan, de grijze”,  ben ik ondertussen gewend. Het is te verkiezen boven de manier waarop anderen – uiteraard in een sfeer van camaraderie – aangesproken worden. Maar met zo goed als het hele wereldje daar verzameld, keek ik opnieuw rond en was het aantal aanwezigen ouder dan mezelf op een hand van Johnny Four Fingers te tellen.

En dan is er de grootmoeder die elke kerst hoopvol vraagt of ik al ‘een echte’ job heb, om daarna haar blik met meewarig medelijden op mijn vriendin te richten. Een vriendin die als ze heel eerlijk is, ook nog altijd stilletjes hoopt dat ik ooit een carrière-uitrit neem die meer zekerheid biedt, minder trips naar het buitenland verlangt en -tja- meer volwassen klinkt. Als ik niet beter zou weten, dan zou ik nog gaan geloven dat er een houdbaarheidsdatum op dit werk en – nog huiveringwekkender – op gamen zelf staat. 

Wat dat gamen betreft is dat weinig meer dan een wensdroom van de partner of ouders die hun pc, iPad of tv ook graag zelf eens een keertje zouden willen gebruiken. Of ze hopen op wat meer quality time met de gamer in kwestie. Beste mensen, vergeet het. De cijfers liegen niet en op de Chief-redactie kennen we hoogstpersoonlijk meerdere gepensioneerden die oeverloos over de derde Silent Hill of Heavy Rain kunnen uitwijden. Er kunnen fasen in ons leven komen dat we minder of helemaal niet zullen gamen, maar er is absoluut niet zoiets als een leeftijdsgrens. Dus daar hoeven we ons alvast geen zorgen over te maken.

Komen we bij de leeftijdsgrens voor dit werk. Wordt het niet tijd dat iemand die al langer games speelt dan een stuk van zijn lezers oud is, plaatsmaakt voor een nieuwe garde? Mijn buikgevoel zegt hell no! Maar datzelfde buikgevoel heeft me al eerder belazerd. Nochtans herinner ik mij dat ik me lang geleden mateloos stoorde aan muziekrecensenten die vanuit een vastgeroeste ouwe zakkigheid ‘mijn muziek’ niet begrepen. Of ze verwezen naar bands die het zogezegd allemaal al veel eerder én ook nog eens veel beter deden. De muziekpers heeft daar harde lessen uit getrokken en nu is dat soort verslaggeving eerder uitzonderlijk. Het is nog uitzonderlijker bij gamejourno’s, tenzij als gimmick misschien.

Het helpt natuurlijk dat games een relatief nieuw medium zijn. Met wat moeite kunnen we teruggaan naar de jaren ’80. De jaren waarin ik met mijn armen om de verpakking van een spiksplinternieuwe Atari 2600 naar huis zweefde. Maar waarom zou ik de ‘ik heb het allemaal meegemaakt’-troefkaart spelen en betweterige onzin beginnen uitkramen over hoe Uncharted naar Pitfall terug te leiden valt. Ik heb ze inderdaad allebei gespeeld, maar daar houdt het op. En zoals ik een paar columns geleden al zei: vroeger was het niet allemaal beter. Al helemaal niet wat games betreft.

Het valt me overigens op dat het klein dozijn veteranen (en ik tel dienstjaren, geen leeftijd) onder mijn collega’s het minst van al met hun zogenaamde wijsheid te koop lopen. Wij hebben bijvoorbeeld allemaal wel ideeën over de toekomst van de sector, maar niemand die daar zijn hand voor in het vuur durft te steken, zoals een gedreven nieuwkomer dat vaak wel doet. Wij hebben magazines, televisieprogramma’s en websites zien komen en gaan. Genres als een raket zien opklimmen en nog sneller de vergetelheid in duiken. Gedoodverfde winnaars zien falen en lachwekkende hersenscheten tot vaste waarden zien uitgroeien.

Zoiets maakt een mens iets behoedzamer, misschien zelfs iets meer nuchter, maar het enige andere voordeel tegenover die gedreven nieuwe jongens en meisjes is dat we goed van pas komen wanneer ze Wikipedia even niet bij de hand hebben. Voor het overige brengt leeftijd, oud of jong, geen voor- of nadeel naar deze job. Zolang je maar met passie, kennis van zaken en misschien ook een tikkeltje zelfrelativering, over games kan vertellen.

Dus sorry grootmoeder, vriendin en jonge garde. Deze jongen is een lifer. En hij is lang niet de enige.


Over de auteur: Raf Picavet is al dertien jaar full time gamejournalist. Hij levert bijdragen aan Vlaamse televisieprogramma's, kranten, magazines en websites, maar zijn schrijfsels voor het maandblad Chief liggen hem het nauwst aan het hart.