In een tijd waarin graphics steeds realistischer worden en het niet heel lang meer duurt voordat simulaties haast niet meer van de ‘werkelijkheid’ te onderscheiden zijn, krijgt het beroep van de gamecertificeerder significant meer lading. Waar we vroeger, och wat kijk ik nostalgisch terug, toch meer in onze eigen fantasiewereld kropen om een game ten volste te ervaren, levert de combinatie van interactief entertainment met über-realistische beelden theoretisch een dodelijke combinatie op. Ik zeg theoretisch, want de onderzoeken naar de link tussen games en geweld spreken elkaar continu tegen. We moeten als gamers echter geen oogkleppen opzetten en middels een gigantische externe locus of control zeggen dat al het geweld door andere zaken dan games veroorzaakt wordt. Het heeft vast wel ergens invloed, maar de hoeveelheid wordt vaak uit z’n verband getrokken en wordt met losse eindjes aan elkaar geknoopt.  

De discussie of agressief gedrag door games veroorzaakt wordt, is echter niet het punt dat ik hier aan wil halen. Het is de rol van de gamecertificeerder waar ik vraagtekens bij heb. De ESRB (Entertainment Software Rating Board) heeft bekend gemaakt vanaf nu ‘full-time gametesters’ in dienst te nemen. Dit zijn mensen die games niet een paar uurtjes moeten spelen voordat ze er een leeftijdssticker opplakken, maar de games helemaal van A tot Z moeten spelen voordat ze er iets over mogen zeggen. Volgens de ESRB is het verschil dat de nieuwe testers bijvoorbeeld wel die botte, ziekelijk en geheel kindonvriendelijke scène in het laatste level vinden, waar de ‘oude’ testers dit niet meegenomen zouden hebben in hun weging.

Tot nu toe klinkt het allemaal aannemelijk. Maar hoe heeft de ESRB dit praktisch in gedachten? Wat zijn de criteria voor testers om een game te beoordelen als kindonvriendelijk. Is dat één keer ‘fuck’, een sarcastische sexopmerking of 6,7 liter bloed in het gehele spel? Het klinkt een beetje zeurderig, maar bij mij doet het sterk denken aan het argument dat onlangs in de Tweede Kamer speelde (en nog steeds behandeld wordt) waarin gesteld werd dat coffeeshops verder dan 500 meter bij een school vandaan gevestigd moeten zijn. Waarom die 500 meter en waarom drie keer ‘fuck’ in een game (bijvoorbeeld)? Op de website van de ESRB wordt gesteld dat de testers die men nu in dienst heeft zelf bepalen wat wel en wat niet kan, waarbij men wel aangeeft dat ‘speciaal getrainde professionals’ zijn. Het argument blijft echter staan.

Daarnaast moet de ESRB ook op zoek naar meer mensen die games full-time gaan testen. Wat voor personen zijn dit? Zijn dit gamers die het hart en het geweten op de juiste plek schuiven of mensen die vanuit het geweten nu juist gaan gamen? Ik kan me voorstellen dat gamers die één keer ‘fuck’ in een game horen dit op waarde weten te schatten in de context van een game, maar ‘de andere partij’ keurig met het notitieblokje op tafel streepjes zit te trekken om te bekijken of het quotum gehaald wordt of niet.

De werkwijze die de ESRB gaat hanteren kan ook indirect invloed hebben op de ontwikkeling van games. Veel games worden tegenwoordig al met een waardering in het achterhoofd ontwikkeld, met als doel de economisch dodelijke 18+-waardering te vermijden. In het oude systeem kon de ontwikkelaar nog wegkomen met een ‘fuck’ of een harde scène aan het eind van de game, daar de testers toch niet de hele games bekeken. Ik weet niet of er zo ver gekeken wordt, maar feit is wel dat de ontwikkelaars nog meer op hun hoede moeten zijn.

Het laatste argument tegen de ESRB is dat de games ‘maar’ door drie personen bekeken worden. Dit kan een bias opleveren omdat de emoties en andere meeslepende gebeurtenissen in een game door iedereen anders ervaren worden. Zeker als je bedenkt dat men test om kinderen de gruwelijke beelden te onthouden is het wel ergens vreemd dat een drietal volwassenen bedenkt wat wel en niet kan. Een objectief gezien grove uitlating of scène kan door een kind volledig anders geïnterpreteerd worden dan door een volwassene. Misschien is het juist wel dat onschuldige praatje tussen de twee personen die voor nachtmerries en gruwelijke gedachten zorgt, zonder dat de testers dit opgemerkt hebben.

Het is echter oneerlijk om nu gigantisch op de ESRB af te gaan geven, want in het verleden hebben ze naar mijn mening nog weinig écht fout gedaan. Het is enkel de praktische werkwijze die wat haken en ogen heeft en nu weer in de schijnwerpers komt door het verstevigde beleid. Wanneer men over een half jaar of jaar met resultaten komt zullen we eens kijken wat voor invloed de koerswijziging heeft gehad. Uiteraard weer met een zeurverhaal over subjectiviteit.