In 1994 speelde ik voor het eerste Duck Hunt, op vijfjarige leeftijd. De bedoeling van de game was zelfs voor een kleuter te begrijpen: wanneer je een eend ziet, moet je schieten. Samen met mijn broer speelde ik avonden lang Duck Hunt, dat samen met Super Mario Bros. op één cartridge stond.

Als mijn broer en ik samen speelden, mocht de één de eenden besturen en de ander op ze schieten. Onze moeder zei altijd: netjes op je beurt wachten. Dat het bijna elke avond resulteerde in ruzie ("mijn kabel zat er niet goed in, opnieuw!", niet op je beurt wachten, niet tegen je verlies kunnen of te hard op de grond stampen waardoor de NES uitvalt), maakte voor ons niet uit. We bleven Duck Hunt spelen. Niet om van elkaar te winnen, maar uit verslaving, die we op een of andere manier hadden ontwikkeld. Uren lang stonden we met het geweer, de zogeheten Zapper, op de tv gericht: we zouden en moesten al die eenden kapot knallen.

Pas later realiseerde ik me waardoor we verslaafd raakten: het kwam door de hond, het meest typerende icoon van Duck Hunt. Hij is nu een fenomeen: zijn lachende kop staat gedrukt op shirts, mokken en muismatten. Toch haatte vroeger iedereen die hond uit het diepst van zijn hart. Wanneer het niet lukte om de eend met drie schoten te raken, lachte hij je recht in je gezicht uit. De hond stuiterde zelfs van het schateren, met een poot voor zijn bek. Dan lukte het je niet eens om die eend uit de lucht te schieten – wat al erg genoeg is -, gaat zo'n irritante hond dat ook nog eens benadrukken. Het is daarom niet geheel onterecht dat IGN de hond opnam in de Annoying Character Hall of Fame-lijst.

Toch blijft de Duck Hunt-hond hét belangrijkste aspect van de game. Op een gegeven moment maakte het niets meer uit of ik van mijn broer won of hij van mij. Het maakte niet uit dat ik een keer een eend niet raakte. Het maakte niet uit dat ik soms compleet mis schoot. Ik wilde gewoon niet uitgelachen worden door die hond. Het was zijn vervelende lachje dat het bloed onder mijn nagels vandaan haalde en mij zo boos kon maken dat ik glazen drinken door de kamer heb geschopt en meerdere pistolen heb versleten.

Eigenlijk is dat best wel zonde, want de techniek van de Zapper was voor die tijd enorm interessant. Speciale sensoren als die van de Wii bestonden toen nog niet, dus hoe kon de NES weten waar ik op schoot? Heel simpel: wanneer je de trekker over haalt, gaat het televisiescherm voor een seconde op zwart. Terwijl het scherm zwart is, wordt de vorm van de vliegende eend wit. Als je om de eend mikt, weet de fotosensor in het pistool of je op zwart (mis) of wit (raak) richt. Dat het scherm tijdens elk schot even op zwart ging, kan ik me nog goed herinneren. De echte betekenis weet ik (met lichte schaamte) pas sinds kort.

Aan mijn gegooi met voorwerpen kun je het misschien al merken: ik kon – en kan – niet zo heel goed tegen mijn verlies. Daar kwam nog eens bij dat mijn broer negen jaar ouder is dan ik, wat inhield dat hij altijd veel beter was in Duck Hunt. Ik kon op zesjarige leeftijd niet eens het pistool met één hand goed vasthouden. Toen mijn broer een keer drinken ging halen en ik tegen de computer moest spelen, sloeg ik mijn slag. Met de Zapper in mijn handen liep ik op de tv af en drukte het pistool recht tegen het scherm aan. In één ronde schoot ik tien eenden (het maximum) neer.

Zo trots als een pauw liet ik mijn broer de score zien. "Zo, dat heb jij goed gedaan! Kijken of je het nog een keer kan." Ik tilde het pistool langzaam op en hield het met twee handen vast. Terwijl mijn broer keek, kneep ik mijn ene oog dicht en haalde ik geconcentreerd adem. Twee keer raak. Klotehond.