Om beter te begrijpen wat dit onderwerp zo omstreden maakt, moet je weten dat er door gamejournalisten vaak wordt gediscussieerd over of ‘de gamejournalist’ wel bestaat. Het zal niemand verrassen dat er altijd personen zijn geweest die hun opinie omtrent dit onderwerp nooit onder stoelen en banken hebben gestoken. Boris van de Ven van Blammo, het bedrijf achter het succesvolle gameprogramma Gamekings en het zojuist uit de grond gestampte Supercharged.tv, is zonder twijfel een van hen: “[Gamejournalistiek] is een pretentieus woord dat eigenlijk maar heel zelden de lading dekt. Een journalistieke insteek is vaak ver te zoeken en 95% van de ‘gamejournalisten’ in Nederland heeft echt werkelijk geen flauw benul hoe de industrie in elkaar zit.” Duidelijke taal dus.

Gamecriticus?

Maar wat zou de juiste term volgens Van de Ven dan moeten zijn? “Het gaat uiteindelijk alleen maar om entertainment. Als iemand zijn of haar mening leuk onder woorden kan brengen dan is dat al heel wat. Als je dat dan nog een naam zou willen geven dan volstaat de term gamecriticus beter, denk ik.” Van de Ven snijdt een interessant onderwerp aan. Binnen de ‘gamejournalistiek’ wordt er namelijk vaker gepleit voor een andere benaming voor het vak. Zo zou berichtgeving over games een vorm van journalistiek noemen de tak iets te veel eer aandoen. Volgens Van de Ven is die discussie echter irrelevant: “Het is een beetje als discussiëren over het weer. Het doet er uiteindelijk niet toe. Het gaat erom of de content die je produceert relevant is voor je doelgroep. De rest is bijzaak.”

Iemand die als geen ander bekend is met deze discussie is langdurig gamejournalist Niels ’t Hooft. “Voor mij is het simpel: iedereen die inhoudelijke bijdrages levert aan een publicatie over games, is gamejournalist. Je kan zeggen dat de Nederlandse gamejournalistiek slecht is, maar je kan niet ontkennen dat hij bestaat.” Maar wat maakt dan een goede gamejournalist? “Ik zou graag meer doorwrochte reportages willen zien. Een gamejournalist gaat ergens heen (een gamestudio, een event, noem maar op) en beschrijft in geuren en kleuren wat er gebeurt. Hij is daarbij niet bang allerlei zijpaden in te slaan. Ik wil, via artikelen (of podcasts, video's, of in welke vorm dan ook) mensen beter leren kennen, technologische ontwikkelingen beter begrijpen, trends doorgronden.”

Contrast

Het hierboven geschetste contrast tussen ’t Hooft en Van de Ven is tekenend voor de situatie in de huidige gamejournalistiek. Zo is het iedere perstrip of mediameeting mogelijk een tweedeling te schetsen: er zijn de aanwezigen die zich als journalisten beschouwen en de (om de terminologie van Van de Ven te blijven hanteren) ‘gamecritici’. Is deze tweedeling ontstaan door de zogenaamde gamecritici, die hun baan als journalistieke taak zouden moeten beschouwen, of gaat het uiteindelijk enkel om een tak van entertainment waar de gamejournalisten niet zo lang en serieus bij stil moeten staan, zoals Van de Ven besluit? Het antwoord op die vraag zal voor iedere gamejournalist (of gamecriticus) verschillen.

Bovendien zou het zo maar kunnen zijn dat de producten van gamejournalisten en –critici inhoudelijk niet of nauwelijks verschillen. Wat als het dus enkel de term ‘gamejournalistiek’ is waar de gamecritici zich tegen verzetten? Een eenduidig antwoord is niet makkelijk te geven.

De discussie wanneer een journalist werkelijk een journalist of criticus is, is eeuwenoud en te breed om in dit artikel te behandelen. Bovendien spelen er bij ieder individu verschillende factoren mee. Welke opleiding heeft de journalist of criticus gedaan? Krijgt hij betaald? Heeft hij genoeg affiniteit met videogames? Wil hijzelf eigenlijk wel als journalist bekendstaan? De vraagstukken ‘wanneer ben je een gamejournalist of –criticus?’, ‘is er überhaupt onderscheid tussen beide?’ en ‘zien de personen die onderscheid maken de taak van een gamejournalist anders dan die van een gamecriticus?’ vallen niet zonder gedegen onderzoek te beantwoorden. Waarschijnlijk zal dat ook nooit gebeuren. Wat we echter wel moeten erkennen is dat het verschil tussen beide groepen binnen de gamemedia aanwezig is, aangezien er klaarblijkelijk nog steeds pers is die zich niet onder het label ‘gamejournalist’ wil scharen.

Theorieën

Juist dat verschil ligt ten grondslag aan het probleem dat dit artikel wil aankaarten: het feit dat de term ‘gamejournalistiek’ binnen gamemedia vaak een negatieve connotatie heeft - vaak in tegenstelling tot de muziek- en filmjournalisten. Volgens Niels ’t Hooft ligt de wortel van het probleem bij de betekenis die sommige mensen verlenen aan de term ‘journalistiek’. “Het begint ermee dat 'journalistiek' voor sommige mensen een veel te zware en specifieke betekenis heeft gekregen. Voor hen betekent 'journalistiek' wat ik persoonlijk zou omschrijven als 'uitmuntende, met de vuistregels van het journalistengilde in het achterhoofdgecomponeerde elitejournalistiek'. Vervolgens roept het idee van dat gilde (dat alleen in figuurlijke zin bestaat, mind you) allerlei emoties op: wat doen ze verwaand die journalisten, en: ben ik dan een nepjournalist, gezien de manier waarop ik werk?”

De theorie van ’t Hooft is een geloofwaardige en veelgehoorde. Voor bevestiging of tegengeluid ondervraagden we David Nieborg, game-onderzoeker aan de universiteit van Amsterdam en net als Niels ‘t Hooft veelvuldig betrokken bij de discussie omtrent gamejournalistiek, onder andere op blogsite Bashers.nl. Nieborg is er altijd openlijk voor uitgekomen dat hij graag de gamejournalist zichzelf serieuzer zag nemen. “Ik vind het hele idee dat het spelen van games geen serieuze zaak zou zijn, op zijn zachtst gezegd, opmerkelijk. Het spelen van games is een vorm van vermaak, maar wel een die heel betekenisvol kan zijn. De culturele, sociale, economische en technologisch impact van games op de samenleving is aanzienlijk en neemt alleen maar toe nu steeds meer mensen steeds vaker spelen. Goede journalisten houden zich bezig met zaken die lezers dagelijks raken, en dus is de toenemende aandacht van critici, opiniemakers, onderzoekers en andere intellectuelen een positief gevolg van het ‘volwassen worden’ van het medium.”

Nieborg bevestigt de theorie van ’t Hooft. “Ten eerste is er bij veel mensen die over games schrijven een verwrongen en misplaats beeld over wat journalistiek is. Bijvoorbeeld het idee dat journalistiek betekent dat je altijd objectief moet zijn (en dus kan een journalist geen reviews schrijven). Dat is niet zo.” Nieborg denkt echter dat er nog een tweede oorzaak is voor de merkwaardige afkeer tegen de term. Veel mensen die over games schrijven zien dat volgens Nieborg als een hobby, vaak omdat het onbetaald is of omdat ze geen enkele opleiding of achtergrond hebben in de journalistiek. Ook in deze verklaring lijken persoonlijke factoren wederom een rol te spelen.

Journalistiek?

Meerdere malen is in dit artikel al teruggekeerd dat ‘journalistiek’ een term is die bepaalde emoties en gedachtes oproept. Sommige mensen lijken journalistiek als vanzelfsprekend te koppelen met kwaliteitsjournalistiek zoals in (‘sommige’) kranten of het journaal. Het lijkt er juist daarom op dat we eerst een betere definitie van ‘de journalist’ moeten hebben alvorens we definitief weten of het schrijven over games onder journalistiek valt. Op dit moment verschilt de definitie van algemeen journalist van persoon tot persoon dusdanig dat sommigen van hen vinden dat zij zich afzijdig van deze term moeten houden. Tot die tijd blijven de beoefenaars van ‘gameverslaggeving’ in twee groepen verdeeld.

Is dat erg? Ja en nee. Enerzijds lijkt het loos onszelf minder serieus te nemen dan onze collega’s bij kranten en algemene nieuwswebsites. Zoals Nieborg al aangeeft weerhoudt dat de tak ervan te groeien, aangezien groei van de gamejournalistiek (en haar waarden en normen) enkel kan plaatsvinden als het erkend wordt door haar beoefenaars. Anderzijds gaat het vooral om kwaliteit. We weten nu dat sommige gamecritici zich liever afzijdig houden van de term gamejournalistiek. Zij het omdat ze een andere definitie hebben van het begrip 'journalistiek', zij het omdat ze het berichten over games niet al te serieus willen nemen. Hoe dan ook is het voor deze tak vooral belangrijk dat we rechtvaardige, relevante en scherpe content produceren die onze doelgroep op prijs stelt en vertrouwt. Of dat onder de term gamekritiek of -journalistiek gebeurt doet er misschien wel toe, maar de kwaliteit van het eindproduct staat voorop.

Definitiefilosofie

Nieborg vat het uiteindelijk mooi samen. “Ik denk dat een journalistieke werkwijze (of attitude) belangrijker is dan hoe je jezelf uiteindelijk beschouwt. Uiteindelijk vind ik dat gamejournalisten een bepaalde verantwoordelijkheid hebben (naar hun publiek, niet naar uitgevers of opdrachtgevers) en die ook moeten nemen.” Volgens ’t Hooft is die trend er, vooral bij nieuwelingen. “Ik heb het idee dat er steeds meer journalistiekstudenten al tijdens hun studie bezig zijn met gamejournalistiek, en dat er steeds meer afgestudeerde journalisten zijn die met games verder willen gaan. Zij gaan de komende vijf jaar het gamejournalistieke landschap totaal veranderen.”

Vijf jaar is echter lang en het is duidelijk dat de gamejournalistiek nog een lange weg te gaan heeft, maar er is in ieder geval een begin gemaakt en interesse naar goede journalistiek vanuit de gamegemeenschap is aanwezig. Laten ‘wij redacteuren' daar vooral op inspelen met onze artikelen of producten. Uiteindelijk ontaardt het discussiëren over termen namelijk enkel in nutteloze definitiefilosofie, iets waar deze tak minder baat bij heeft dan bij het daadwerkelijk produceren van goede content.