Wie voor 1995 al actief games speelde, zal zeker bekend zijn met de ingewikkelde handelingen die je als gamer moest doorlopen om een pc-game te kunnen spelen. Niet alleen werd je verplicht om bij elke game weer opnieuw aan te geven welke grafische kaart er in je pc zat, maar kon je bij elk spel opnieuw op onderzoek naar alle instellingen om de geluidskaart aan de praat te krijgen. Om dan nog maar te zwijgen over termen als XMS en EMS geheugen. Sindsdien is er gelukkig een hoop veranderd met de komst van Windows 95; die als meest revolutionaire feature het 'plug and play'-concept introduceerde. Geen problemen meer met het instellen van hardware of het nalezen van een technisch woordenboek om alle moeilijke termen te begrijpen, maar simpelweg een menuutje dat je na de fysieke hardware-installatie vroeg om de driver-diskette of cd in te voeren.

Al werd het Windows systeem met al z'n bugs vaak wat minder liefkozend 'plug and pray' genoemd, toch waren we eindelijk af van de ellende met het instellen van hardware- en poort-instellingen. Voor Microsoft was deze nieuwe openbaring reden genoeg om de naam DirectX bekend te maken, een verzameling van verschillende software-componenten die samen de hardware in de pc aansturen voor multimedia-toepassingen. De eerste versie van de Windows Game SDK (een andere naam voor de eerste DirectX) mocht volgens veel ontwikkelaars dan wel tot één van de slechtst ontwikkelde development-interfaces ooit behoren, maar toch weerhield het Microsoft er niet van om alsnog hoger in te zetten en de interface drastisch te verbeteren.