Hunted: The Demon’s Forge had een aardige zomertitel kunnen zijn. Zo’n spel dat nergens echt bijzonder is, maar wel leuk genoeg is om de periode tot de najaarsklappers te overbruggen. Die betiteling is echter veel te hoog gegrepen. Het is geen misbaksel dat je gelijk terzijde smijt en het liefst nog even natrapt, maar er zijn ook nauwelijks redenen denkbaar om Hunted te spelen.

Het concept is een eclectische bedoeling, maar daarmee nog niet eens zo heel onaardig. Hunted: The Demon’s Forge is een derdepersoons actiespel. Het draait om een gespierde gast, Caddoc, die samen met de lichtvoetige E’lara op pad gaat om orc-achtige wezens, ondoden en ander gespuis af te slachten. Het waarom en waar doen er verder niet toe. Met E’lara ben je vooral met pijl en boog van afstand effectief, terwijl Caddoc de middeleeuwse evenknie van een destructieve slager is. Zoals het een hedendaags actiespel betaamt, stuit je op zogenoemd 'epische' eindbazen, zit er een Gears of War-achtig coversysteem in en bouw je de vaardigheden van beide personages naar verloop van tijd uit. Je specialiseert hen zo eens te meer, waardoor de Achilleshiel van de een nog meer de kracht van de ander is. Samenwerken omvat daardoor meer dan louter samenspelen: twee afwijkende vechtstijlen vullen elkaar aan en geven de gevechten meer dynamiek.

Wat ben je aan het doen?

Althans, in de coöperatieve modus. In je eentje is ‘samenwerken’ namelijk uit den boze. Je kompaan moddert dan maar wat aan. Zo nu en dan werkt hij je zelfs tegen door je niet altijd te volgen en op de meest schlemielige manieren dood te gaan. Hierdoor moet je zelf zo'n beetje al het slachtwerk verrichten. Op zich is dat nog niet eens zo erg, maar deze onkunde betekent ook geregeld het abrupte einde van een haksessie. Als je compagnon of jij sterft, is het gedaan met de pret. En als hij of zij je zonder reden laat creperen wanneer je nog gered kan worden of door de meest gekke fratsen zelf meermaals achter elkaar om het leven komt, gaat dat je al gauw tegenstaan.

Door het nauwelijks doordachte leveldesign ligt hier continu de nadruk op. Een checkpoint aan het einde van het eerste hoofdstuk is bijvoorbeeld gepositioneerd vlak voor een punt waar je je personages kunt uitbouwen. Ga je dood, dan keer je terug naar je ‘oude’ hoedanigheid en moet je wederom via een log menuutje vaardigheden vrijspelen. Of je moet puzzels opnieuw ‘oplossen’. Omdat ze vaak bestaan uit het verzamelen of in vuur en vlam zetten van objecten, zijn ze tijdrovend, maar nauwelijks interessant – zeker niet voor een tweede, derde of tiende keer.

Gedeelde smart

In de splitscreen of online multiplayer is Hunted: The Demon’s Forge een minder frustrerend avontuur. Juist door de wisselwerking tussen de personages toont het spel zich hier van zijn beste kant. De een geeft rugdekking als een heuse sluipschutter of bevriest de tegenstander met een magische pijl, terwijl de ander als een Romeinse gladiator het strijdveld betreedt. Als E’lara levert dit een handjevol licht verfrissende momenten op; headshots worden vanuit verschillende camerastandpunten in beeld gebracht, je hebt verschillende soorten pijlen (de een schiet een magisch goedje af, de ander is preciezer op lange afstand) en de impact van de pijlen is geloofwaardig.

Dat de tegenstanders telkens via dezelfde looplijnen op je af komen stormen of soms als een onbezield wezen voor zich uit blijven staren, drukt dan maar een beetje de pret. Gedeelde smart is namelijk halve smart, en het principe van leedvermaak functioneert ook binnen games. Na een pijltje of twintig is de nieuwigheid er overigens van af en is het lastig om langs het gekke leveldesign, de waslijst aan technische slordigheden en de clichématige presentatie (heksje hier, donkerbruin kasteeltje en misplaatst aforisme daar) te kijken. Enigszins noemenswaardig is tenslotte dat je zelf levels in elkaar kunt frutselen. Predicaten als ‘revolutionair’, ‘uitgebreid’ of ‘diepgaand’ zijn ongepast, maar het is in ieder geval een optie om te laten zien dat je creatiever bent dan de makers van Hunted: The Demon’s Forge zelf. Dat moet niet zo heel veel moeite kosten.