Sinds 2005 is het in Californië verboden games met een gewelddadige inhoud te verkopen aan minderjarige consumenten. Volgens het Hoogerechtshof is de wet echter in strijd met het Eerste Amendement van de Grondwet van de Verenigde Staten. Het Eerste Amendement verbiedt de wetgevende macht om wetten aan te nemen die onder meer de vrijheid van meningsuiting belemmeren.

Ook games vallen onder de bescherming van het Eerste Amendement, concludeert het Hooggerechtshof. De fundamentele principes van vrijheid van meningsuiting veranderen niet voor nieuwe en andere communicatiemedia en zodoende genieten games dezelfde bescherming als boeken, toneelstukken en films. De uitspraak van het Hooggerechtshof betekent in de praktijk dat overheden de verkoop van gewelddadige games aan minderjarigen niet bij de wet verboden kunnen maken.

Negatieve invloed

Het Hooggerechtshof verwerpt het idee dat gewelddadige games een negatieve invloed hebben op het gedrag van kinderen. Onderzoeken die zijn gehouden naar deze kwestie hebben geen eenduidige conclusie kunnen formuleren, constateert het Hooggerechtshof. 

Ook zou er geen aantoonbaar verschil zijn met de invloed die andere media, zoals tekenfilms, op kinderen hebben. Het Hooggerechtshof betwijfelt daarom of de staat Californië wel daadwerkelijk het doel nastreeft dat de staat zegt na te streven, of dat de staat bewust een bepaalde spreker, in dit geval de game-industrie, wil benadelen.

ESRB

Tot slot prijst het Hooggerechtshof het Entertainment Software Rating Board (ESRB), de instantie die verantwoordelijk is voor de leeftijdsclassificatie van games in Amerika, en stelt dat de ESRB er al voor zorgt dat kinderen niet zomaar gewelddadige games kunnen kopen. Dankzij deze vorm van zelfregulering zijn het uiteindelijk de ouders die kunnen bepalen of hun kind een game die geweld bevat, wel of niet kan kopen.