Pan European Game Information, kortweg PEGI, is een initiatief vanuit de gamesindustrie om ouders te informeren over de inhoud van spellen. Het systeem toetst spellen op mogelijk schadelijke inhoud en brengt op basis daarvan advies uit. Dit advies zien wij als gamers vervolgens terug op vrijwel ieder hoesje, in de vorm van een leeftijdsclassificatie en de welbekende inhoudspictogrammen. Voor het zover is, vindt er echter voor ieder spel een flink toetsingsproces plaats, dat volgens Stevens in beginsel is gebaseerd op zelfregulering.

Het voorbereidende werk ligt bij de door een uitgever aangestelde codeurs, die voor iedere titel een uitgebreide vragenlijst in moeten vullen. Daarop staan vragen die ingaan op de aanwezigheid van zaken zoals geweld, grof taalgebruik, seks en discriminatie. Uit de lijst komt vervolgens een leeftijdsadvies naar voren, wat de codeurs doorgeven aan PEGI. Vooruit, dat spreekt een stuk minder tot de verbeelding dan testers die de hele dag games spelen, maar Stevens legt uit dat hun werk dan nog moet komen.”Wij hebben hier testers in dienst, mannen en vrouwen, die de hele dag games aan het spelen zijn en daarover rapporteren. Zij lopen het spel een aantal uur door, bekijken videomateriaal en beoordelen dan of de classificatie die de codeur in eerste instantie heeft aangevraagd, gerechtvaardigd is.” Is dit het geval, dan komt de adviesleeftijd met bijbehorende pictogrammen op de hoesjes van een spel terecht.

Cruciaal geweld

Maar met de wekelijkse verschijning van nieuwe spellen, die al gauw meer dan tien uur in beslag nemen, is het onmogelijk om alles na te lopen op de aanwezigheid van afwijkend materiaal. Toch wordt volgens Stevens ieder spel zorgvuldig bekeken. ”Het is niet steekproefmatig in de zin dat we alle spellen controleren. Maar we spelen een spel hier tussen de twee en vier uur en kunnen het dus meestal niet uitspelen. Wel krijgen we videomateriaal van de cruciale scènes in het spel aangeleverd.“ Omdat niet alles onder de ogen van de testers komt, kan het natuurlijk voorkomen dat er een voor de classificatie bepalende scène aan hen voorbijgaat.

Het risico is daarbij dat spellen mogelijk een lagere leeftijdsclassificatie krijgen dan dat ze eigenlijk verdienen, als uitgevers bijvoorbeeld twijfelachtig materiaal bewust niet in het videomateriaal opnemen. De kans dat zoiets gebeurt is echter vrij klein, benadrukt Stevens. ”Vooral in de hogere categorieën is het geweld vaak de bepalende factor en dat zit meestal door heel het spel. Die classificaties gebeuren niet omdat er in level 24 iets zit wat de testers wel of niet hebben opgemerkt.” Komt na classificatie aan het licht dat er bij de inhoud toch een hoger leeftijdadvies hoort, bijvoorbeeld als gevolg van een consumentenklacht, dan dreigen er sancties voor de uitgever en zal deze de hoesjes zelf van het juiste pictogram moeten voorzien. De verantwoordelijkheid binnen het PEGI-systeem ligt immers altijd bij de uitgever.

Of er geweld in een spel zit, en hoeveel precies, komt binnen het classificatieproces dus wel tot uiting. De vraag is of er ook gelet wordt op wat voor soort geweld er in het spel voorkomt. Stevens legt uit dat in dit opzicht twee factoren van belang zijn. “We kijken naar wat voor soort personages er in het spel zitten - en dan onderscheiden we tekenfilmfiguren, fantasiewezens en echte mensen en dieren - en wat voor soort geweld het is. Daarin onderscheiden we komisch en serieus geweld en vervolgens realistisch of niet realistisch.” Toch krijgt Splatterhouse in zijn trailers het predikaat 18+, terwijl het komisch geweld bevat, dat gericht is op fantasiewezens. Dus wat als een spel nu zo overduidelijk op absurditeit gestoeld is, dat een onderwerping aan de vragenlijst tot een verkeerde classificatie leidt? Dan kan er via een themavraag buiten de normale procedure getreden worden. “Dat gebeurt alleen als de testers het gevoel hebben dat de vragenlijst niet toereikend is. En die werkt voor 99 procent van de spellen“, aldus Stevens.

Theorie en praktijk

Het PEGI-systeem ontleent duidelijk veel van zijn waarde aan de vragenlijst. Alleen daarmee is het nog niet zeker dat een spel ook echt schadelijk is voor kinderen, en of de lijst dus een goede maatstaf is. De risico’s verbonden aan het spelen van gewelddadige games staan voortdurend ter discussie en om de zoveel tijd komen onderzoekers met nieuwe bevindingen. De resultaten van deze onderzoeken zijn vaak weinig eenduidig en leiden soms zelfs tot geheel tegenovergestelde conclusies; de reden dat PEGI zijn vragenlijst hier niet onmiddellijk door laat leiden. Stevens legt uit dat PEGI de vragenlijst vooral baseert op de input van experts uit verschillende vakgebieden, die bij het systeem zijn aangesloten. “Zij waren voor de introductie van PEGI betrokken bij het opstellen van de vragenlijst en komen nu nog regelmatig bij elkaar om te bespreken of de vragenlijst nog actueel is.” Bij dringende kwesties, zoals onlangs het uitgeven van echt geld in games, komen de experts ook bij elkaar.

Maar ook al zijn er dan wetenschappers bij betrokken, PEGI blijft toch vooral een initiatief vanuit de game-industrie. Uitgevers hebben baat bij het informeren van ouders over de inhoud van spellen, want hun kinderen behoren tot misschien wel de belangrijkste doelgroep. Het systeem geniet daarom een breed draagvlak onder Nintendo, Sony en Microsoft. Wie een spel op een van hun consoles uit wil brengen, zal eerst een PEGI-classificatie moeten regelen. “Dat is voor het systeem een hele goede boost geweest”, al zorgt het volgens Stevens nog wel eens voor stress bij uitgevers. “We hebben regelmatig overspannen mensen aan de lijn, die helemaal vergeten zijn dat PEGI ook nog moet. Op zo’n moment moeten we heel streng zijn, en kun je het bedrijf ook gelijk een beetje opvoeden.” In ieder geval heeft de strikte naleving er voor gezorgd dat vrijwel alle spellen die in nu de winkels liggen voorzien zijn van een PEGI-classificatie.

Toch zijn er nog geluiden dat deze zelfregulering niet streng genoeg is. Eerder dit jaar pleitte de toenmalig demissionair minister van Justitie, Ernst Hirsch Ballin, nog voor een algeheel verbod op gewelddadige games. De interactiviteit die bij games een rol speelt is volgens hem zo gevaarlijk dat zelfregulering als enige beschermingsmaatregel niet kan volstaan. PEGI zelf ziet dan weer weinig noodzaak in aanvullende wetgeving. ”Wij geloven niet in verbieden. PEGI-classificaties zijn adviserend van aard en daarmee alleen een handvat voor ouders.” Hirsch Ballin mag zelfs al best tevreden zijn, de vragenlijst van PEGI is een stuk strenger dan die voor film en televisie. PEGI is namelijk een Europees systeem, wat er voor zorgt dat het land waar iets het gevoeligst ligt – of het nu om seks, geweld of grof taalgebruik gaat – maatgevend wordt.

Voordat je nu denkt dat het weer aan de Duitser ligt dat Splatterhouse een 18+-advies krijgt, niets blijkt minder waar. Duitsland is zo voorzichtig als het gaat om gewelddadige games dat het een eigen systeem boven PEGI verkiest. Splatterhouse zal dan ook niet in Duitse winkels terug te vinden zijn, de game is er namelijk verboden. Misschien moeten we de PEGI 18-classificatie daarom maar voor lief nemen; wij kunnen de game in ieder geval nog spelen. En of Splatterhouse dat advies ook echt verdient? Dat valt alleen in liters uit te drukken.