Het is bijna niet voor te stellen dat Doom bijna twee decennia oud is. We waren amper dertien jaar oud toen we een harde schijf van een oom kregen. Twee zwarte, plastic schijfjes met weinig tekst op het label. De vier letters, geschreven in het nu o zo herkenbare handschrift hadden toen al een magische uitwerking op onze nieuwsgierigheid: Doom. Een titel zo onheilspellend kon niet anders dan ongelofelijk cool zijn. En, oh joy, want had ons voorgevoel gelijk.

Net als miljoenen anderen speelden we de shareware-versie van Doom helemaal grijs. Zo grijs dat we elk level konden dromen. Van de bruine Imp die al na de tweede deur recht op ons afstormde, vuurballen in de aanslag, tot de gigantische minotaurus-achtige Baron of Hell’s in het eindlevel. En alle coole stukjes daar tussenin, zoals het deuntje dat afspeelde nadat je de kettingzaag vond. Gelukkig had de oom ook de hele versie in zijn bezit, waardoor we uiteindeijk ook de rest van dit pareltje mochten aanschouwen. Toch staat de eerste episode, Knee-Deep in the Dead, voor altijd in ons geheugen gegrift.

We kunnen het on niet voorstellen dat onze ouders het toen niet een beetje raar vonden dat we Doom speelden. De game was op zijn zachtst gezegd behoorlijk grof. Alleen al de sadistische lachjes wanneer we weer eens kill maakten met onze kettingzaag moeten toch echt voor wat gefronste wenkbrauwen hebben gezorgd. Dat je na een kill ook de ingewanden van de bruut afgeslachte alien over de vloer zag lopen, zal dat gefrons niet verminderd hebben.

 

Van hakenkruizen tot alien-ingewanden

Maar wie weet dat Wolfenstein 3D, dat een jaar eerder uitkwam, onze ouders wat toleranter had gemaakt. Met al diens hakenkruizen en rochelende Nazi’s, waren ranzige aliens en een donker maantje ergens op Mars opeens wel te doen. Hoe dan ook waren wij gelukkig met Doom. Nog niet eerder speelden we een game die er zo ‘echt’ uit zag. De graphics, die overigens niet echt driedimensionaal waren maar bestonden uit sprites die op een slimme manier werden gebruikt, waren destijds van een ongekend niveau. Wolfenstein 3D werd direct een game voor watjes en baby’s. Echte mannen speelden Doom op Nightmare!-niveau.

Alles wat Doom uitademde was daarbij cool. Van de wapens als de BFG3000 (Big Fucking Gun 3000) en de rocketlauncher en de namen van de moeilijkheidsgraden (zoals Bring it on, I’m too young to die en Ultra violence) en de episodes (zoals Knee-Deep in the Dead en Sores of Hell), tot vijanden als de zwevende Cacodemon en de Spiderdemon. Het is niet verwonderlijk dat Doom, uiteraard samen met Wolfenstein 3D (gezien ze beide uit het meesterbrein van John Carmack ontsproten), ervoor zorgde dat het first-person shooter-genre uitgroeide tot misschien wel het meeste succesvolle genre in de gameswereld.

Vanaf 1993 wilde iedere jongen (en ongetwijfeld ook meisjes) in de schoenen staan van een eenzame ruimtemarinier die met slechts een shotgun en boksbeugel hordes aan bloeddorstige aliens naar de gruzelementen knalt. En niet met uitzicht van bovenaf of in een kinderachtige Commander Keen-achtige stijl. Nee, vanaf 1993 wilden we de actie van dichtbij zien, vanaf het puntje van je rocketlauncher. In Doom voelde het alsof we eindelijk vooraan in het karretje van de achtbaan zaten. Daar hebben we met volle teugen van genoten.