Lees hier de Gamer.nl-recensie van Divinity: Original Sin.

Begin dit jaar kreeg ik voor het eerst lucht van Divinity: Original Sin. Ontwikkelaar Larian Studios beloofde dat dit een rpg zou zijn die terug naar de roots van het genre zou gaan. Hierbij heb je zelf invloed op het verhaal, door npc’s uit te moorden, te kiezen hoe je quests volbrengt worden en op bepaalde manieren met andere personages te communiceren. Het was een game waar ik lang naar uitkeek en zodra hij uit was sleepte ik een exemplaar binnen om deze te recenseren. Voor mezelf was dat een excuus om er vele uren aan te besteden, uiteindelijk meer uren dan gepland.

Moord en magie

In de game neem je in eerste instantie de rol aan van een zogenaamde Source Hunter. Je weet weinig over je eigen verleden, maar het wordt snel duidelijk dat de meeste npc’s in het spel weinig van je willen weten. Het enige wat zij nodig hebben is het pakken van de dader. Er is namelijk een moord gepleegd in de stad en ieders geheimen blijken hier iets mee te maken te hebben. Naarmate het verhaal vordert om de moord op te lossen, ontrafelt ook het mysterie omtrent je personages.

Het mooie is dat je met minstens twee personages speelt, die je voorafgaand aan de speelsessie aanmaakt. Mijn hoofdpersonages zijn een vuur-magiër en een boogschutter. Vervolgens kun je tot twee personen met je meenemen op reis. Ik besluit Madora en Jahan met me mee te nemen, een warrior en een ijs-magiër. Tijdens het spelen praten de personages tegen elkaar en heb je zelf controle over de reacties die worden gegeven. Zo kunnen ze elkaar aardiger vinden of elkaar juist gaan haten.

Gezien de meeste npc’s mijn hoofdpersonages toch al haten, is het goed om te weten dat je ze dood kunt maken. Dit geldt in ieder geval voor npc’s die niet tot de hoofdmissies behoren. Dus als ik geen geld heb om bijvoorbeeld iets van een merchant te kopen, dan sluit ik de deur van zijn winkel om ooggetuigen te vermijden, en hak ik op hem in. Een regen van spullen daalt neer en ik, als ‘lootjunkie’, voel het beest in me wakker worden.

Struikrover Vrijwel al mijn speeltijd bestaat uit het proberen om zoveel mogelijk te jatten. Ik heb mijn personages expres getraind in Sneak en mijn magiër in Telekinese. Niet omdat dit handig zou zijn in gevechten, maar omdat ik dan van een afstandje iemands gehele huis leeg kan roven. Npc’s zien namelijk alleen een kegelvormig gebied voor zich en sommigen van hen staan stil, wat het makkelijk maakt om ongezien te blijven.

Met mijn Sneak-skill verander ik in een tonnetje, een rotssteen of in een struik. Dit is afhankelijk van of ik binnen of buiten ben en op welk terrein ik me bevind. Ik ben van mijn speeltijd meer een struik geweest dan mijn personage zelf, maar ik heb wel genoeg geld om iedere merchant in de game uit te kopen. Niet dat elke merchant gestolen goederen aanneemt, trouwens, wat gelijkend is aan de Elder Scrolls-reeks.

Op je beurt wachten

Ook het openmaken van sloten en het zakkenrollen van npc’s hebben heel wat uurtjes in beslag genomen, naast het willen uitkammen van elke uithoek van de map. Wie van avontuur en verkenning houdt, mag deze game als een echte aanrader zien. Vooral als je een beetje bekend bent met Dungeons & Dragons, dat een gelijkend gevechtssysteem heeft.

Het is turn-based, strategisch en je kunt je gehele omgeving inzetten in het gevecht. Zo kun je tonnetjes laten ontploffen of gifgas loslaten. Per ronde heb je een aantal stappen per personage, aangegeven met gekleurde bolletjes boven je skill-balk. Het aantal stappen dat je zet kost bolletjes, evenals de skills die je gebruikt. Als je een krachtige are of effect spell wilt gebruiken kost dit bijvoorbeeld meer dan een single-target skill die minder schade aanricht. Zo moet je goed nadenken over wat elk personage doet.

De skills van de personages hebben ook een mooie wisselwerking met elkaar. Ik laat bijvoorbeeld mijn boogschutter, die nogal faalt, een regen-spreuk uitspreken. Vervolgens laat ik Jahan, de ijs-magiër, regenplassen onder stroom zetten, waardoor vijanden stunned raken en even niets kunnen doen.

Keltische rust

De game draait echter niet zozeer om vechten maar, zoals eerder genoemd, om het ontdekken van de wereld en het ontrafelen van mysteries. Ik praat met dieren, zoek schelpjes op het strand en steek onderweg kaarsjes aan waar het kan. Games zijn zelden echt ontspannend voor me, maar Divinity: Original Sin weet een ware rustieke sfeer neer te zetten. De muziek van de game draagt hier aan bij, maar zelf zet ik er liever Keltische muziek bij op. Die combinatie is nagenoeg perfect.

Er is een immens crafting-systeem, waarvan ik toentertijd alles zelf uit moest zoeken gezien er nog geen tutorials of lijstjes waren die door andere spelers waren opgesteld. Door allerlei ingrediënten in mijn inventory naar elkaar te slepen kom ik erachter of het wel of niet een geslaagde combinatie is. Ook hier moet je dan je bijbehorende skill voor upgraden, tevens gelijkend aan Dungeons & Dragons (mijn voornaamste referentiepunt, samen met Het Oog des Meesters). Het ronddwalen en uitkammen van elke hoek van de map is dus zeker niet overbodig, gezien ik veel bruikbare materialen en ingrediënten vind. Ik kan er zelfs eigen wapens mee maken en die nog eens upgraden.

Rpg-roots

Ik heb de game nog steeds niet uit, omdat ik het op mijn eigen tempo speel. Er zijn dus nog genoeg mysteries om te ontrafelen en genoeg npc’s om te plunderen. Deze game is niet zozeer de beste van het jaar, maar wel mijn favoriete. Het laat me rustig doorsukkelen, zoekend naar aanwijzingen – en dat is precies wat mij aantrekt in rpg’s.